In de koude januarimaand zijn alle bomen in een diepe slaap verzonken. Dat is ook het geval voor de grote boom in de Nayakker in Zemst. In de lente en de zomer verwelkomt deze boom alle wandelaars en fietsers met zijn brede groene kruin en biedt hij hen met zijn bladerdak het comfort van de schaduw wanneer de temperaturen hoog oplopen.
In de winter is hij echter al die bladeren al lang verloren. Ze zijn ten prooi gevallen aan de gure herfstwinden en zoals altijd moest hij ze met tegenzin laten gaan. Enkel een zwart skelet blijft nu van hem over, een knoestige brede stam met een heel netwerk van takken en zijtakken die amechtig reiken naar de grijze wolken aan de hemel.
In deze donkere periode denkt hij terug aan de lente en de zomer die voorbij zijn en aan alles wat hij gezien en gehoord heeft. Hij herinnert zich het jonge koppel dat op de bank onder zijn bloeiende kruin kwam zitten en niet kon ophouden met elkaar aan te raken en te zoenen. Dat gebeurde in zijn hoogdagen, de periode dat zijn takken uitmondden in zacht roze bloesems. Zonder dat het verliefde stel het had opgemerkt, had hij stiekem een tak heen en weer bewogen tot er een bloesem naar beneden viel en bij het koppeltje terechtkwam. De jongen had niet geaarzeld en had de roze bloem geschonken aan zijn liefje die ze glimlachend achter haar oor stak.
Jammer genoeg waren er ook minder leuke momenten zoals die keer dat een ouder koppel plaatsnam op de zitbank en hij hun gedeeld verdriet tot in de tippen van zijn diepliggende wortels kon voelen. Toen voelde hij zich machteloos en gefrustreerd dat hij hen niet kon helpen en vervloekte hij zichzelf dat hij zijn takken niet om hen heen kon spreiden in een knuffelend en troostend gebaar.
Er waren dagen dat hij zich daar eenzaam voelde, helemaal alleen tussen de weidse velden en de vruchtbare akkers die hem omringen. Dan wenste hij dat de mensen een boom zouden planten op korte afstand zodat hij daar niet alleen zou staan. Hij zou vervolgens al de moeite van de wereld doen om zijn takken zo ver mogelijk uit te rekken om de takken van die andere boom te kunnen aan raken zodat hij zou weten hoe een aanraking echt aanvoelt.
Het vaakst droomt de boom van het voorjaar. Aan het moment dat zijn levenssappen op een dag plots weer beginnen door zijn stam te stromen net als toen hij een jonge twijg was vol nieuwe levenskracht. Aan het moment dat de knoppen op zijn takken als bij toverslag verschijnen en al gauw uitgroeien tot groene gezonde bladeren.
Hij verlangt ook naar de terugkeer van de zwart witte kieviten die onder luid gekwetter hun acrobatische buitelingen komen vertonen boven de akkers. Hij wil vogels zien komen aanvliegen met takjes in hun bek waarmee ze een nest komen bouwen, ergens hoog in zijn kruin. De dag dat hij het eerste schelle gepiep van hun nieuwe kroost hoort verwarmt elke keer zijn houten hart.
Hij weet dat hij voor al die blijdschap en al dat geluk nog even geduld moet uitoefenen. Nog twee maanden en dan is die hardvochtige winter weer voorbij en wordt alles weer anders. Dan zal de hemel eindelijk weer blauw kleuren en eist de zon terug een hoofdrol op. Nog even volhouden en dan is het zover.