Het Virus. Een boek dat ik schreef samen met Eddy Willems, een bekende expert inzake internetbeveiliging. Ik heb met Eddy kennis gemaakt toen ik hem interviewde voor het maandblad de Zemstenaar waarvoor ik reporter en eindredacteur ben. Hij sprak me toen over zijn plannen om een boek te schrijven over de fascinerende wereld van (computer)virussen en antivirussen. Van het een kwam het ander en we hebben samen met veel plezier ‘Het Virus’ geschreven.

‘Het Virus’ werd uitgegeven via Lannoo en binnenkort is er een Engelse versie van ons boek beschikbaar via Amazon. Eddy heeft het boek inmiddels ook al vele malen meegenomen op zijn trips naar conferenties en congressen over heel de wereld en dat resulteerde elke keer in enthousiaste reacties in de sector van de internetbeveiliging!

Op het moment dat ik dit schrijf (december 24) werken we aan een vervolg en zijn er zelfs nog wildere plannen ontstaan in verband met het eerste deel, maar daarover later meer 😉

Ter info: al de teksten op deze website zijn onderhevig aan copyright en mogen niet gekopieerd of gedeeld worden

Korte samenvatting

Utrecht, 13 februari 2034. Een zelfrijdende auto wordt gehackt en ontregeld, met een dodelijke crash tot gevolg. De NAVO, die toeziet op de mondiale internetbeveiliging, beseft dat de wereld in gevaar is wanneer kort daarop nog twee andere aanslagen plaatsvinden. Europolinspecteur Lara Hartman en communicatieverantwoordelijke Frank Willems starten een koortsachtige klopjacht naar de daders achter deze cyberterreur. Alles lijkt te wijzen op een gevaarlijk computervirus. Er volgt een race tegen de klok om een antivirus te vinden dat het kwaad kan stoppen…

Lees hieronder gratis het eerste hoofdstuk:

Proloog
Autosnelweg A27, ter hoogte van Utrecht, richting Amsterdam
13 februari 2034

‘Zoveel?’, roept Jan Goethals uit. Hij zit in zijn zelfrijdende auto, een felblauwe Tesla van de vijfde generatie en heeft zijn collega beveiligingsexpert aan de lijn. ‘Ja hoor, Jan, je hoort het goed, en de aanvallen zijn vooral gericht op de grote bedrijven’, hoort hij Pieter zeggen. ‘Voorlopig weten we nog niet of een virus erin geslaagd is om ergens binnen te dringen.’ Terwijl zijn collega verder praat, zet Jan zijn eigen geluid met een simpele zwaai van zijn hand op mute en beveelt hij zijn boordcomputer: ‘Butler, zoek cijfers over computervirussen 13 februari 2034’.

Met dezelfde handbeweging, maar nu in de andere richting, schakelt hij de mute weer uit en zet het gesprek verder. Op zijn virtuele cockpit verschijnen allerlei artikels over het onderwerp dat hij gevraagd heeft. Jan Goethals bestudeert de data en die lijken zijn collega gelijk te geven. Als daarna ook de FakeNews filter het waarheidsgehalte van de data als zeer hoog inschat, moet hij even slikken. Binnen een uur staat hij in Amsterdam op het podium van het BeNe Security Congres, waar hij een presentatie geeft over een heel specifiek type computervirussen.

Hij fronst in het besef dat hij deze recente cijfers niet kan negeren. ‘Pieter’, onderbreekt hij zijn praatgrage collega ‘bedankt om me te bellen, maar ik moet nu gaan. Ik wil me nog even in stilte voorbereiden op mijn presentatie, snap je?’ Pieter toont alle begrip en Jan beëindigt de conversatie. Hij leunt achterover en denkt na. Geen goed teken die verhoogde frequentie van aanvallen de laatste vierentwintig uur. Dat is in het verleden al meer gebeurd. Maar wat zit daarachter? Het zou een maneuver kunnen zijn om de aandacht van een nakende grotere aanval af te leiden. Of misschien een collectieve aanval van meerdere kleine spelers in de zwarte economie die besloten hebben om hun krachten te bundelen.

Hij staart voor zich uit en denkt na over de manier waarop hij die informatie in zijn speech gaat verwerken. Het beeld dat hij door de voorruit ziet is zo vertrouwd. Vier rijen auto’s die allemaal sterk op elkaar lijken en die als door magie op exact dezelfde afstand van elkaar blijven rijden. Terwijl hij nadenkt over zijn speech, schrikt hij plots op. Het kleine hologram van zijn Butler, dat traditiegetrouw in het midden van zijn sobere dashboard staat, verdwijnt van de ene seconde op de andere, alsof het uiteenspat. Gelukkig blijft de Tesla rustig zijn weg voortzetten.

Jan slaakt een zucht van opluchting. Net zo min als alle andere bestuurders van zelfrijdende auto’s die hij kent, heeft hij ooit al eens zelf het stuur moeten overnemen. Het systeem werkt al jaren perfect en het feit dat het netwerk bewaakt wordt door de NAVO is daar niet vreemd aan. Jan stelt vast dat het hologram verdwenen is, maar dat de boordcomputer nog werkt. Die gedachte stelt hem gerust. Maar dan valt zijn mond open. Op zijn dashboard verschijnt weer een hologram en deze keer is het niet zijn Butler. Het is het beeld van een vrouw en dat is uitzonderlijk enkele vrouwenbewegingen jaren geleden zijn opgekomen tegen de denigrerende gewoonte voor de virtuele assistenten steeds vrouwen te gebruiken. Meteen na het verschijnen van de vrouw wordt er een tekst geprojecteerd op zijn cockpit. Jan verstijft.
‘Betaal 10.000 Crypto of we laten je auto crashen. Dit is geen grap.’
Geen grap? Dit kan toch niet anders dan een grap zijn? Hoe moet hij hierop reageren? ‘Butler, bel Pieter’, beveelt hij. Niets, geen respons. Hij brengt zijn pols met de ingeplante chip dicht tegen zijn mond en vraagt het nog eens. Niets. ‘Butler, afwijking route’, probeert hij ‘neem route naar huis.’ Geen antwoord. Zou het dan toch waar zijn? Werd zijn auto gehackt? Hij, een gekende beveiligingsexpert, wat een ironie zou dat zijn. Allerlei gedachten flitsen door zijn hoofd. Wat kan hij doen? Uit een rijdende auto springen tegen honderdveertig per uur is geen goed idee. Toch geeft hij een ruk aan de handgreep. Geen beweging in te krijgen, die is natuurlijk vergrendeld.

Ook het raampje krijgt hij niet naar beneden, de sensor lijkt gedeactiveerd. Het zweet breekt Jan aan alle kanten uit. Tegen beter weten in grijpt hij het stuur vast en probeert er aan te draaien. Het zit muurvast. De auto dendert intussen voort op de autosnelweg, steeds maar rechtdoor, de andere wagens op de voet volgend. Hij schrikt als ineens de virtuele tekst op zijn voorruit kleiner wordt en tot zijn afgrijzen plaats maakt voor een aftelklok. En ze start aan vijf minuten. Dit moet malware zijn, beseft hij, kwaadaardige software, waardoor de controle over zijn auto is overgenomen. Er rest hem maar één ding te doen, wat hij en zijn collega’s nochtans altijd aan de klanten afraden: betalen. Hij mag het risico niet nemen. Zijn wanhoop wordt nog groter als hij op zijn voorruit foto’s te zien krijgt van zijn vrouw en zijn dochtertje van twee, lachend naar de camera. Verdomme denkt hij, ze hebben mijn persoonlijke fotobibliotheek ook gehackt. Er zit dus niets anders op dan te betalen als hij zijn gezin ooit nog wil terugzien.

Op de aftelklok staan nog bijna twee minuten als hij aan de bancaire app in zijn chip de instructie geeft om het gevraagde bedrag over te schrijven op de rekening die op de voorruit te zien is. Ontmoedigd laat hij zijn armen zakken. Dat geld is hij kwijt, bijna al zijn reserves in één klap weg. Zomaar, foetsie, in enkele seconden. ‘Hier gaan jullie voor boeten’, sist hij tussen zijn tanden door. Dan krijgt hij plots de aftelklok terug in de gaten. Die is nog steeds aan het aftellen en zit nu aan één minuut. Wanneer gaat die stoppen? Een koude rilling loopt over zijn rug ondanks al dat zweet. Die klok gaat niet stoppen, beseft hij. Ze gaan mij laten verongelukken! ‘Nee, ik heb betaald!’, schreeuwt hij en zijn stem slaat over. ‘Stop de auto, ik wil eruit!’

Op dat moment begint er luide muziek te spelen, alsof iemand hem wil overstemmen. Paniek maakt zich van hem meester terwijl hij een ruk geeft aan de gesp van zijn veiligheidsgordel om die te verwijderen. Die geeft echter geen kik. Jan realiseert zich dat die eveneens vanop afstand moet geblokkeerd zijn. Met zijn blote vuist begint hij op de ramen te slaan om die te verbrijzelen maar dat blijkt al snel ijdele hoop te zijn. Met tranen in de ogen zoekt hij iets dat hij zou kunnen gebruiken om de ramen in te slaan. Maar te midden van alle touchscreens en digitale snufjes bespeurt hij niets dat als wapen kan dienen. Een snelle blik op de aftelklok leert hem dat er nog dertig seconden resten. Hij gaat met twee voeten voluit op de rem staan en geeft er niet om dat een andere auto hem daardoor langs achter zou aanrijden. Maar in zijn binnenste weet hij dat dit niets zal uithalen.

Nog vijftien seconden. Hij hijst zijn lange benen omhoog en trapt wanhopig enkele keren tegen de voorruit, maar ook die geeft geen krimp. Nog vijf seconden. Hij trilt over zijn hele lichaam en de tranen vloeien nu rijkelijk. Jan beseft dat hij gaat sterven. Zijn blik gaat naar de foto van zijn gezinnetje waar hij altijd zo trots op geweest is. Nog één seconde. Het laatste wat hij voelt is dat de auto scherp naar rechts afwijkt. Dan is er het zwarte gat.

Koop dit boek hier!