Op deze pagina’s vind je enkele kortverhalen die ik tussen mijn boeken door heb geschreven. Ik hou wel van dit genre want het is een ware uitdaging om een afgerond verhaal met slechts een beperkt aantal woorden aan de man te brengen. Om het nog wat spannender te maken heb ik ook geprobeerd om er steeds een verrassend einde aan te breien. Veel leesplezier!

Ter info: al deze verhalen zijn onderhevig aan copyright en mogen niet gekopieerd of gedeeld worden

De laatste keer

Hendrik staat in de keuken met een kop koffie in de hand en staart door het raam dat uitgeeft op zijn kleine achtertuin. Op het pas gemaaide gazonnetje is een familie eksters luidruchtig aan het ruziën, maar hij ziet of hoort ze niet. Hij is in zijn gedachten op een heel andere plek, ver weg van hier.

Hendrik is schrijver en heeft ondertussen al vier boeken gepubliceerd. Toen het eerste boek grandioos flopte, wilde hij er ontgoocheld de brui aan geven. Maar op aandringen van zijn vrouw heeft hij toch nog twee andere geschreven, en die werden onverwacht een groot succes. Vooral het feit dat hij het aandurfde telkens zijn hoofdpersonage te laten overlijden, wekte veel interesse in de literaire wereld. Ook in zijn twee volgende boeken paste hij die techniek toe en het heeft hem tot nu toe geen windeieren gelegd.

De schrijver zet zijn tas neer op het aanrecht en beslist dat hij genoeg tijd verloren heeft. Zijn vierde boek zit in de laatste rechte lijn, hij moet enkel nog de tekst nakijken die hij gisteren heeft neergepend. Op kousenvoeten wandelt hij naar zijn privé heiligdom. Hij is blij dat hij de grootste kamer van het huis voor zichzelf heeft opgeëist als zijn schrijfatelier.

In gedachten verzonken laat hij zich vallen op zijn bureaustoel en schuift zijn Mac dichter naar zich toe. Hij scrollt naar boven en zet zijn geest in ‘corrector’ modus. Letterlijk vanop een afstand leest hij aandachtig wat gisteren uit zijn brein via zijn vingers op het scherm is terechtgekomen.

De beroemde schrijver zit aan zijn bureau, met de ogen gesloten, wachtend op inspiratie. Flarden van zinnen spoken door zijn hoofd, maar hij slaagt er niet in ze te vangen, er een geheel van te maken. De woorden zijn als vlinders en ontsnappen telkens maar net aan de gretig grijpende hand van zijn geest. Plots wordt zijn meditatie verstoord door een geluid en de woorden spatten uiteen als vuurwerk.

Op hetzelfde moment dat Hendrik dit leest, meent hij eveneens een geluid te horen. Wat gek denkt hij, zit ik zo diep in dat boek? Hopelijk zullen mijn lezers het ook zo intens ervaren. Hij concentreert zich terug op de zwarte lettertjes op de witte achtergrond.

De schrijver spitst zijn oren en kijkt rond in de ruime kamer. Maar niets doorbreekt de vertrouwde stilte van de weekdag, wanneer hij alleen thuis is en de rest van de wereld ergens in de file staat of opgesloten zit in een kantoor. Hij sluit terug zijn ogen en tracht de connectie te herstellen met zijn muze. Tevergeefs, de concentratie is weg. Hij opent zijn ogen, staat recht en stapt naar het raam. Met zijn handen in zijn zij kijkt hij naar de blauwe lucht waar wolkjes die dag blijkbaar verboden zijn. Vanuit zijn ooghoeken ziet hij plots een beweging, maar wanneer hij zijn hoofd er naartoe draait, is er niets te zien.

Hendrik leest die laatste zin en krijgt het letterlijk koud wanneer hij, net als zijn hoofdpersonage, vanuit zijn ooghoek een schim lijkt te ontwaren in de achtertuin. Hij springt recht en loopt vliegensvlug naar het raam, maar behalve de eksters, die verschrikt opvliegen door zijn verschijning, is er helemaal niets te zien.

Dat kan geen toeval meer zijn, denkt Hendrik, iemand is me hier een poets aan het bakken. Ja, dat is het. Mijn vrouw of mijn zoon heeft gisteren de tekst gelezen en ze weten dat ik die altijd ’s anderendaags herlees. En nu proberen ze me angst aan te jagen door alles uit te beelden wat ik geschreven heb. Er verschijnt een glimlach op zijn gelaat en hij is stiekem trots op het feit dat ook zij hun fantasie durven te gebruiken.

Hendrik besluit om het spelletje mee te spelen en ondertussen na te denken hoe hij hen op zijn beurt kan bedotten. Hij gaat terug zitten en leest het vervolg van de tekst.

De schrijver wordt zenuwachtig want hij beseft dat hij kostbare tijd aan het verliezen is. De deadline voor het indienen van het manuscript nadert met rasse schreden en hij heeft nog heel veel werk. Hij staat op het punt te gaan zitten als hij weer een geluid hoort, maar nu veel luider en ergens aan de achterdeur.

En ja hoor, wanneer Hendrik die tekst leest, hoort ook hij een harde bonk, komend uit de richting van de glazen achterdeur. Hij bewondert de perfecte timing, het kan niet anders dan dat ze het heel goed voorbereid hebben. Hij weet wat er nu gaat komen maar leest toch maar het vervolg.

De gevierde auteur verliest zijn geduld en stapt geërgerd de kamer uit. In de overtuiging dat het een dier is of een kwajongen, neemt hij in de gang een paraplu uit de paraplubak en beent vervolgens naar de achterdeur. Maar tot zijn verwondering staat die deur wijd open, net als de deur naar de kelder. Verrast blijft hij even staan, sluit dan gehaast de achterdeur en werpt een blik op de trap die in de kelder afdaalt.

Hendrik denkt koortsachtig na hoe hij de overhand kan nemen in dit spelletje en besluit dat hij nog even moet meedoen. Eenmaal in de kelder zal hij wel op een idee komen en als dat niet het geval zou zijn, is hij niet te beroerd om toe te geven dat ze hem beetgenomen hebben. Nog even de laatste zinnen herlezen en dan moet hij er naar toe.

De schrijver tast naar de schakelaar om het licht aan te steken in de kelder, vindt die en duwt erop. Niets. Hij vloekt binnensmonds en neemt een aansteker. Met het kleine vlammetje verlicht hij zo goed als mogelijk de treden, één voor één, terwijl hij voorzichtig in de duisternis afdaalt.

Oké, denkt Hendrik, het is tijd. Ze zullen me waarschijnlijk al verwachten, daar in die kelder. Hij staat recht en moet weer glimlachen wanneer ook hij een paraplu uit de paraplubak neemt. Het lijkt wel of hij in het boek is beland. Hij stapt naar de achterdeur, die zoals verwacht wijd open staat, en werpt ook een blik op de trap in de kelder.

Hij tast niet naar de schakelaar omdat die toch niet zal werken, ze zullen waarschijnlijk de lamp wel verwijderd hebben. Met de zaklantaarn in zijn smartphone verlicht hij de treden en gaat stapje voor stapje naar beneden. Hij houdt pro forma de paraplu voor zich uit en tracht zijn stem enigszins te doen trillen wanneer hij roept: ‘Wie is daar?’

Natuurlijk krijgt hij geen antwoord en wanneer hij aan de laatste trede is gekomen, bereidt hij zich voor op wat ze gaan doen om hem te verrassen. Omdat hij zo gecharmeerd is door de originaliteit van hun idee, heeft hij besloten te doen alsof hij het spelletje niet door heeft.

Maar de verrassing is niet zoals hij het zich voorgesteld had. Een keiharde slag op zijn achterhoofd maakt zonder omwegen een einde aan zijn leven en zijn schrijversloopbaan. Hij valt als een blok neer met de paraplu nog in zijn hand en al gauw verschijnt er een steeds groter wordende bloedvlek rond zijn hoofd.

Het is heel stil geworden in het huis. In de kamer waar Hendrik al zijn boeken heeft geschreven, staat de Mac eenzaam en verlaten op zijn bureau. Op het scherm staat nog steeds de tekst van het vijfde boek:

De schrijver komt aan bij de laatste trede van de keldertrap en tracht bij het licht van de aansteker iets te onderscheiden. Maar hij ziet enkel vage contouren van wat wellicht enkele kasten zijn met al lang vergeten inhoud. Ineens hoort hij iets achter zich en in een reflex duikt hij ineen. Hij hoort een zwiepend geluid boven zijn hoofd en instinctief springt hij in de richting van waar zijn aanvaller zich waarschijnlijk bevindt. Hij botst tegen iemand op en duwt die met zijn volle gewicht tegen de grond. De schrijver krabbelt recht en zet zich schrap. Hij verwacht een gevecht op leven en dood, maar niets is minder waar. Vooraleer hij nog iets kan ondernemen, krijgt hij een keiharde klap tegen zijn slaap. Als een zoutzak valt hij neer op de betonnen vloer van de kelder en is op slag dood.

Opeens wordt de stilte in het huis doorbroken doordat de Mac plots tot leven komt. Bovenstaande paragraaf wordt langzaam maar zeker, lijn per lijn,  gewist. De backspace toets blijft zolang ingedrukt tot er geen spoor meer te bekennen is van de tekst.

Wanneer dat gebeurd is, worden ook de andere toetsen van het klavier beurtelings ingeduwd tot er een geheel nieuwe tekst verschijnt. Eentje waarin het hoofdpersonage niet meer overlijdt.

________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

De jute zak

Kelly is 8 jaar oud en gelooft niet meer in Sinterklaas. Of in de Kerstman. Want geen van beiden is ooit op bezoek geweest bij haar thuis. Jaren na elkaar heeft ze een oude schoen klaargezet in de kleine woonplaats van hun schamele woning. En elke ochtend van de dag erna was ze in haar dun slaaphemdje naar beneden gestoven om de schoen nog altijd even leeg aan te treffen.

Ze is zoveel keer teleurgesteld geweest dat ze het nu heeft opgegeven. Terwijl ze door de hoofdstraat van haar geboortedorp stapt, denkt ze aan de andere kinderen op school. Op het speelplein waren zij enthousiast aan het vertellen over welke geschenken ze hadden gekregen. Kelly stond er dan heel stilletjes bij en probeerde zo snel mogelijk stiekem weg te sluipen. Om te vermijden dat ze haar zouden vragen wat zij gekregen had.

Ze kijkt omhoog naar de besneeuwde kerktoren om te weten hoe laat het is. Een horloge heeft ze nooit gehad, wat ze wel begrijpt want haar moeder heeft het niet breed. Dat werd pijnlijk duidelijk toen zij op een dag zelfs haar trouwring verkocht. Kelly is nog jong maar toch volwassen genoeg om de situatie te begrijpen.

Haar moeder is ziek. En haar vader is verdwenen. Ze heeft hem nog één keer gezien. Vorige maand, toen hij om geld kwam vragen. Maar er was geen geld. En na een heftige ruzie is hij afgedropen.Ze kan zo nog de geur van alcohol en tabak ruiken die rond hem hing. En er was nog een andere geur die ze pas later herkende, de geur van andere vrouwen.

Als ze ziet dat het al zes uur is, weet ze dat ze zich moet haasten. Haar moeder heeft nieuwe medicijnen nodig en heeft haar op pad gestuurd om die te gaan halen. Gelukkig heeft de apotheker een zwak voor hen beiden en geeft hij daardoor de pillen op krediet.

Als ze aan een kruispunt met een smal paadje aankomt, aarzelt Kelly even. Toen haar moeder nog helder van geest was, heeft ze Kelly altijd verboden om dit weggetje te nemen alhoewel het korter is langs daar. En ze heeft steeds gehoorzaamd. Maar nu beslist ze in een opwelling om het toch te doen omdat het zo koud is.

Een beetje angstig stapt ze het pad op. Nu Kerstmis nadert is het de laatste week veel kouder geworden. En haar afgedragen kleedje en het dunne jasje houden haar niet echt warm. Ze versnelt haar pas en kijkt onbewust steeds achterom. Maar het is te donker om iets te kunnen zien.

Ze is ongeveer in het midden van het onverlichte pad als ze plots een geluid hoort achter het struikgewas. Ze schrikt en begint in een reflex te rennen. Terwijl haar paardenstaart heen en weer zwaait, richt ze haar blik op het einde van het pad waar ze het licht van de straatlantaarns al kan zien.

Maar dan voelt ze plots een harde klap tegen haar rug waardoor ze voorover valt op haar gezicht. Nog geen seconde daarna voelt ze een zwaar gewicht op haar neerkomen en krijgt ze nog een klap. Ditmaal op haar achterhoofd, en zo hard dat ze onmiddellijk het bewustzijn verliest.

Als ze terug wakker wordt, ze weet niet na hoeveel tijd, voelt ze dat ze gedragen wordt. Ze hangt ondersteboven over iemands schouder. Nu haar geest terug helder is, wordt ze overvallen door paniek. Wat gaat die man met mij doen? Als ze bij een donkere parking aankomen, wordt ze hardhandig neergesmakt op de grond, naast een grote witte bestelwagen.

Terwijl de man zijn sleutels zoekt, met zijn rug naar haar gekeerd, grijpt ze haar kans. Maar nog voor ze kan rechtstaan, heeft hij zich al vliegensvlug omgedraaid en haar terug neergeslagen. Verdoofd voelt ze dat hij haar oppakt en in de bestelwagen wil leggen.

Maar dan lijkt er iets onverwachts te gebeuren waardoor de man haar laat vallen. Met halfopen ogen ziet ze van op de koude grond dat haar overvaller aan het vechten is.

Met de Kerstman. 

Half in shock sluit ze traag haar ogen en opent ze weer. Ja, het is wel degelijk de Kerstman die de man een keiharde slag geeft. Het wordt allemaal te veel voor haar en ze glijdt weg in een soort droomslaap.

Kelly wordt wakker in haar eigen bedje, goed ingedekt onder die versleten, uitgerafelde dekens. Haar ogen zijn onmiddellijk wijd open en haar hart klopt tegen honderd per uur in haar keel. Wat is er gebeurd? Ze springt uit bed en spurt de trappen af naar beneden.

Haar blik gaat eerst naar de vaalgroene sofa waar haar moeder sinds twee jaar haar leven in doorbrengt. Ze ligt vredig te slapen en haar ademhaling is traag en regelmatig. Een pak van haar hart. Maar hoe is zij dan zelf thuis geraakt? En wat betekent die droom over de Kerstman? Kelly gaat stilletjes op haar tenen naar de keuken om een glas water uit de kraan te drinken, ze heeft zo’n dorst. Als ze daar binnenkomt, blijft ze stokstijf staan. Op de ronde keukentafel staat een grote jute zak. Net zoals de Kerstman er een heeft.

Haar eerste gedachte is dat ze nog altijd aan het dromen is. Maar haar nieuwsgierigheid wint het van haar onzekerheid en ze opent de zak. Ze steekt er haar arm diep in en voelt voorzichtig naar wat er in zit. Het blijken enveloppen te zijn. Veel enveloppen. Ze denkt aan kerstkaartjes maar als ze eentje openscheurt, komen er bankbiljetten tevoorschijn. En in de tweede ook. En in de derde.

Nu pas ziet ze het briefje dat op de keukentafel ligt.

Er staat geschreven: “Dit is voor jou en je moeder. Ik weet zeker dat je het goed zal besteden. Vanwege de Kerstman”. 

Kelly heeft zich ondanks al die ellende altijd sterk gehouden. Dat moest wel. Ze heeft nooit geweend in het bijzijn van haar moeder. Ze doet dat ’s nachts, in haar kamer, als haar moeder in een diepe slaap ligt door de medicatie. Maar nu kan ze de tranen niet tegenhouden. En het zijn andere tranen. Het zijn haar allereerste tranen van geluk.

In zijn statige kasteel opent Hugo zijn grote wandkluis voor de tweede keer en neemt wat hij nodig heeft. Hij neemt een andere jute zak uit zijn voorraad en steekt er alles in. Nu kan hij weer op pad.

Hij heeft zijn personeel al verwittigd dat hij iets later zal aankomen op het kerstfeest. Hij ziet in zijn gedachten al hun lachende gezichten wanneer hij de zaal zal binnenkomen, met op zijn schouder de grote zak gevuld met hun jaarlijkse bonussen.

Hij trekt zijn witte baard recht, schudt zijn dikke buik nog eens op en stapt met een goed gevoel naar zijn auto.

________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

De kluizenaar

“Men hoeft de wereld niet te begrijpen, men moet alleen zijn plaats erin weten te vinden” – Albert Einstein , Duits – Amerikaans natuurkundige 1879-1955

Diep in de bossen, in een afgelegen streek van het land, stapt een oude man met een gezwinde tred over een smal beekje. Zijn hond volgt hem op de voet en springt vrolijk in het rond. Het is al zeer lang geleden dat iemand deze man nog gezien heeft, laat staan met hem gesproken heeft. In het dichtstbijzijnde dorp wordt soms tegen stoute kinderen gezegd dat ze de Bosjesman gaan roepen als ze niet braver worden. Want zo wordt Barend daar genoemd.

Barend Bosmans heeft na de dood van zijn ouders beslist om uit de maatschappij te treden. Eigenlijk heeft hij er nooit toe behoord. Als zoon van een boer is hij sowieso al opgegroeid buiten het dorp, temidden van de velden en het vee. Toen hij jong was werd er vanuit gegaan dat hij niet verder ging studeren, want er was genoeg werk op de boerderij. Hij heeft dit nooit erg gevonden. Want op die manier kon hij zijn tijd buiten doorbrengen.

Barend heeft altijd enorm genoten van de buitenlucht en is verzot op de verschillende geuren die de natuur te bieden heeft. Hij ademt diep in en ruikt de scherpe geur van dennenbladeren. De geur van de overdaad aan zomerbloemen zit nog vers in zijn geheugen. Maar het is nu bijna herfst en de landschappen zijn stilaan aan het veranderen. Zijn hond kijkt even naar hem om, alsof hij wil zeker zijn dat zijn baasje er nog is. Barend houdt van deze hond, in feite houdt hij van alle dieren, zelfs van de lelijke, vuile koeibeesten op zijn erf.

Hij stapt uit het bos en neemt een paadje dat hem zal terugleiden naar zijn hoeve. Hij beseft dat de “gewone mensen” nooit zouden kunnen leven zoals hij. Hij heeft geen vrouw, geen kinderen, hij gaat nooit op reis, hij doet zelfs geen uitstapjes naar het dorp of de stad. Omdat hij al zolang een kluizenaarsleven leidt, weet hij ook niets van de technologische ontwikkelingen van de laatste decennia. Maar hij beschouwt dat als een voordeel. Want daardoor heeft hij tijd. Tijd om rustig na te denken en te genieten van het leven. Voor hem is tijd de grootste rijkdom.

Voor de zoveelste keer werpt Max een tak voor zijn voeten en kijkt hem vervolgens vragend aan. Hij neemt de tak op en ziet de blijde verwachting in de ogen van zijn hond. Hij maakt enkele schijnbewegingen en werpt de tak dan zo ver mogelijk weg. Was iedereen maar zo snel tevreden als Max.

Ondanks zijn rimpelloos leven heeft Barend één probleem. Dat is er gekomen toen hij recentelijk op een warme zomernacht plots wakker geworden was. Hij wist niet direct waarom, tot hij het raam opende. Zoals steeds was het pikdonker rond de boerderij, gewoon omdat er tot in de verre omtrek geen verlichting voorzien is. Enkel de volle maan is in staat om de duisternis verdrijven uit zijn slaapkamer. Maar die nacht was het geen volle maan. Toen hij verder uit het raam leunde, hoorde hij een vreemd geluid. Dit was wat hem uit zijn slaap had gehaald.

Zijn eerste gedachte was dat hij nog droomde. Het geluid kwam van links en werd steeds luider. Hij keek in die richting en kon zijn ogen niet geloven. Hij weet nog exact wat hij toen gezien heeft: een soort vliegende schotel die traag over de boerderij vloog en haar weg verder zette over de bossen, naar het Noorden toe.

Barend is niet dom. Hij weet dat UFO’s enkel bestaan in de hoofden van wie erin wil geloven. Maar nu heeft hij het met eigen ogen gezien. En hij was niet dronken en ook niet slaapdronken. Nee, hij was klaarwakker. Die nacht heeft hij bijna niet meer geslapen. En ’s anderendaags, tijdens zijn dagelijkse wandeling, heeft hij er lang over nagedacht. Om tenslotte tot de conclusie te komen dat het beter was om te doen alsof dit nooit gebeurd was.

Maar twee nachten geleden gebeurde dan precies hetzelfde. En de vorige nacht ook. Dus kan hij het niet blijven negeren. Hij moet er iets aan doen. Met zijn simpel boerenverstand redeneert hij dat hij moet ingrijpen. Hij heeft het jachtgeweer van wijlen zijn vader vanochtend al grondig gekuist, hij heeft alle onderdelen gecontroleerd en tevreden vastgesteld dat er genoeg munitie aanwezig is.

Als even later de duisternis valt, begeeft hij zich naar de plek die hij heeft uitgekozen. Van daaruit heeft hij het beste zicht. Toen hij daarnet met het geweer op de schouder de boerderij wou verlaten, stond Max al kwispelstaartend klaar, maar hij heeft hem moeten teleurstellen. Dit gaat alleen tussen hem en dat vreemde ding. Hij legt zich neer op het vochtige mos, met de munitie en het geweer naast zich, en maakt het zich gemakkelijk.

Na een half uur spitst hij zijn oren. Daar is het geluid weer. Hij schoudert het geweer en wacht tot hij de zilverachtige schotel ziet verschijnen. Wanneer het voorwerp boven de toppen van de bomen komt aangevlogen, volgt hij het ding met de loop van het geweer. Hij steunt met zijn elleboog op een stuk rots, houdt zijn adem in en haalt de trekker over.

———————————————–

De volgende dag, op de Logistieke afdeling van een groot postorderbedrijf, zegt de manager tegen zijn assistent: “Bruno, hier zijn de coöordinaten die we het laatst hebben ontvangen voor alle contact is weggevallen. Opgelet, het is een zeer verlaten streek, gebruik zeker je GPS. En kom niet terug zonder die drone.”

________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

Koffie en taart

“Het is nooit te laat om je vooroordelen op te geven”  – Henry David Thoreau , Amerikaans schrijver 1817-1862

JOHAN, 40 jaar

Johan staat tegen een muur geleund in een straatje even buiten het centrum van de stad. Niet wetend dat hij gadegeslagen wordt, checkt hij hoeveel geld hij te besteden heeft. Hij kan een glimlach niet onderdrukken als hij het aantal biljetten telt.

Maar op dat moment gaan de haartjes in zijn nek omhoog staan. En hij heeft geleerd dit signaal nooit te negeren. Hij blijft rustig en kijkt zo nonchalant mogelijk eens naar links en eens naar rechts. Rechts is er geen kat te zien, maar links komt er iemand kalm afgewandeld.

Als die persoon naderbij komt, ziet Johan dat het een jonge man is met een hanekam en verschillende tatoeages op zijn armen. En dat zint hem niet. Wanneer hun blikken elkaar kruisen, is het voor hem duidelijk. Dit is niet pluis. Die gast heeft hem waarschijnlijk zijn geld zien tellen en wil hem overvallen. Hij aarzelt niet en zet het op een lopen.

KEVIN, 24 jaar

Kevin heeft de man daarnet de straat zien ingaan en vraagt zijn vriendin om hem niet te volgen. Hij stapt de hoek van de straat om en wandelt rustig verder. Hij doet zijn best om niet te laten zien hoe zenuwachtig hij is. Hij is nog een vijftigtal meter verwijderd van de man als deze zijn hoofd in zijn richting draait.

Kevin wil wegkijken maar doet dat een fractie van een seconde te laat. Hij beseft dat de man zijn bedoelingen heeft doorzien en het zekere voor het onzekere neemt. Hij stuift weg en Kevin spurt er achteraan. Goed dat hij vanmorgen loopschoenen heeft aangetrokken.

De blonde man slaat een zijstraat in die in de richting van het centrum loopt. Ik moet hem zo snel mogelijk te pakken krijgen, denkt Kevin, en probeert te versnellen. Hij is zo gefocust op de felblauwe trui van de man dat hij de politieagent aan de andere kant van de straat niet opmerkt.

WALTER, 56 jaar

Inspecteur van politie Walter Sleewagen is aan het praten met een burger die bezorgd is over de toenemende onveiligheid in zijn stad als hij plots iemand langs ziet rennen. En enkele seconden later vliegt er nog iemand voorbij.

Onmiddellijk neemt hij zijn mobilofoon en contacteert de centrale.

“Jenny, Walter hier. Ik ben momenteel in de Parijsstraat en ik zie iemand met een hanenkam en tatoeages een blonde oudere man achterna lopen. Ik zet nu de achtervolging in. Stuur zo snel mogelijk een patrouille alstublieft.” Hij wacht niet op het antwoord, steekt de mobilofoon in zijn koppelriem en begint ook te lopen. De twee mannen zijn ondertussen al een heel eind verder, hij ziet ze nog net verdwijnen achter een bocht.

Walter tracht zijn ademhaling onder controle te houden. Sinds zijn lichte hartaanval van een jaar geleden mag hij van de dokter geen grote inspanningen meer doen. Daarom is veldwerk voor hem een uitzondering geworden en doet hij dingen zoals vandaag, poolshoogte gaan nemen in een buurt van waaruit signalen van ongerustheid zijn gekomen.

Terwijl hij aan een traag tempo op het voetpad loopt, maakt hij zich de bedenking dat die criminele jongeren nu wel heel ver gaan. Iemand trachten te overvallen bij klaarlichte dag in het centrum van de stad, ongelooflijk. Hij slaakt een zucht van verlichting als hij achter zich de sirenes van de combi hoort aankomen.

MARGUERITE, 82 jaar

Marguerite zit nog natrillend op een stoel aan het bureau van de vriendelijke politieagent. Voor haar staat een glas water. Maar ze durft het niet vast te nemen, uit schrik dat het zo uit haar bevende handen zou vallen. Ze is nog erg onder de indruk van wat haar is overkomen.

De agent heeft haar meegedeeld dat er een achtervolging bezig is en dat de dader wellicht snel zal gepakt worden. Als ze ziet dat hij haar nog een vraag gaat stellen, houdt ze haar hoofd een beetje scheef. Haar linkeroor is namelijk de laatste tijd serieus achteruit gegaan. Maar met haar ogen is gelukkig nog helemaal niets mis.

“Mevrouw, zou u de dader van de overval herkennen?”

De oude dame is fier dat ze hierop dadelijk kan antwoorden.                                                        

“Ja zeker, mijnheer de agent, ik zou hem direct herkennen. Alleen al aan die felblauwe kleur van zijn trui. En aan zijn blonde haren natuurlijk ook.”

De agent voelt de grond onder zijn voeten wegzakken en haast zich naar zijn collega Jenny om andere instructies door te geven aan de agenten die ter plaatse zijn.

Marguerite kijkt nog eens om naar het meisje met de tatoeages dat achter haar in de gang op een bankje zit en kijkt haar dankbaar aan. Ze hoopt dat de vriend van dat meisje snel terug is zodat ze hen allebei kan trakteren op een lekkere koffie met taart als dank voor hun hulp na de overval.

________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

De engelbewaarder

1

Het loopt tegen middernacht en Frans zit thuis in een rolstoel. Door van een ladder te vallen heeft hij een tijd geleden zijn twee hielen gebroken en dat is best lastig want hij is nog altijd heel sportief aangelegd. Maar die rolstoel is nog het minste van zijn problemen want dat is toch maar tijdelijk. Het echte onheil is  begonnen met de dood van zijn schoonzoon. Een verkeersongeluk. Van de ene dag op de andere werd Hans weggerukt uit hun leven. Zonder waarschuwing. Zonder een kans om afscheid te nemen.

Zijn dochter Sofie heeft daar enorm onder geleden. Zijn kleindochter, Sanne, heeft altijd haar uiterste best gedaan om haar moeder bij te staan. Tot een maand geleden het onvoorstelbare gebeurde. Ook zijn dochter werd hen ontnomen. Door wat ze noemen een slepende ziekte. Wat is nog de zin van het leven denkt hij, als je kinderen je voorgaan in de dood.

Het is bovendien een dubbel moeilijke periode voor hem geweest omdat hij enerzijds het verlies moest verwerken en anderzijds omdat hij zich sterk moest houden voor Sanne. Hij heeft van bij het begin zijn uiterste best gedaan om het meisje zo goed mogelijk op te vangen. Aangezien hij haar enige familie is, en Sanne minderjarig is, woont zij nu bij hem.

Voorlopig is haar verblijf geen groot succes. Na school komt ze thuis, trekt de koelkast open en eet dan snel een of ander ongezond hapje. Daarna trekt ze de stad in om pas ’s nachts terug thuis te komen. Frans kijkt op zijn uurwerk en ziet dat het al na middernacht is. Hij droogt zijn tranen want hij wil absoluut niet dat zij bij haar terugkeer iets van zijn verdriet merkt.

2

Sanne stapt alleen door de donkere en verlaten straat maar voelt totaal geen angst. Het shot dat ze daarnet genomen heeft verdooft nog steeds haar hersenen en het is net alsof ze over het voetpad zweeft. Ze voelt zich onoverwinnelijk en geniet van de zalige tintelingen over heel haar jonge lichaam. Wanneer ze haar eigen straat inloopt, begint het effect stilaan weg te ebben. En duiken de bekende herinneringen weer op. Maar ze blokkeert ze in haar geest en verdringt ze naar de achtergrond. Ze opent met haar sleutel zachtjes de voordeur en hoopt dat haar grootvader al slaapt. Op haar tenen sluipt ze door de gang en loopt snel de trap op naar haar slaapkamer. Ze kijkt al uit naar het shot van morgenavond.

3

Frans besluit dat het zo niet verder kan. Hij weet dat Sanne veranderd is sinds de dood van haar moeder. En hij weet dat ze drugs neemt want hij heeft in een flits de sporen van de spuit gezien op haar arm toen die voor één keer onbedekt was. Hij moet dringend het gesprek aangaan met haar. Zij is het enige wat hij nog heeft op deze wereld.

4

Sanne zit voor zich uit te staren op de laatste rij in het klaslokaal en kijkt voor de zoveelste maal op haar horloge. Wanneer dan uiteindelijk de bel gaat, springt ze recht en stuift als eerste naar buiten. Ze stapt door de schoolpoort en gaat niet zoals gewoonlijk naar links maar wel naar rechts. Want vandaag gaat ze niet eerst even naar huis. En wel om twee redenen. De eerste is dat haar opa haar wil spreken. En dat kan ze missen als kiespijn. Ze weet al waarover het zal gaan en de zoveelste preek over hoe ze het slechte pad is opgegaan is wel het laatste wat ze nu nodig heeft.

De tweede reden is dat ze vandaag niet naar haar gebruikelijke dealer gaat. Ze heeft namelijk gehoord dat er nieuw en goed spul zou verkrijgbaar zijn bij een nieuwe speler op de markt. Als ze in de steegjes achter de grote pakhuizen aankomt, speurt ze naar die jongen zoals hij haar beschreven werd. Al snel ziet ze hem tegen de muur geleund staan, onder een afdak waar een hoop vuilniscontainers netjes op een rijtje staan.

Ze stapt de straat over en loopt er recht naar toe. Wanneer ze op korte afstand oog in oog staan, bekijkt de jongen haar met een geringschattende blik. Hij grijnst en steekt zijn hand uit naar haar. Ze knikt hem toe en neemt de bankbiljetten die ze vooraf in haar zak had gestoken.

Maar net voor ze het geld wil overhandigen, duikt achter de magere jongen ineens een grote, breedgeschouderde man op. Sanne schrikt en zet in een reflex een stap achteruit. De man grijpt de jongen vast en werpt hem met een krachtige zwaai op de grond. Direct daarna zet hij zijn knie op de keel van de drugsdealer die uit alle macht tracht recht te komen. Maar de man houdt hem gemakkelijk onder bedwang en fouilleert de jongen tot hij vindt wat hij zoekt. Verschillende pakjes wit poeder verschijnen in zijn vuile handen. Hij smijt zonder aarzelen alle zakjes in een rioolput en haalt vervolgens zijn voet weg van de keel van de spartelende dealer.

“Maak dat je wegkomt”, hoort ze de vreemdeling met het vuile gezicht en de grijze baard grommen. “De volgende keer kom je er niet zo goed van af”. De jongen krabbelt recht en kiest eieren voor zijn geld. Hij slaat op de vlucht zonder om te kijken.

Sanne heeft het tafereel met open mond gadegeslagen en komt nu terug bij haar zinnen. “Waar bemoei jij je mee ?” roept ze naar de man die waarschijnlijk één van de daklozen is die ze op haar nachtelijke uitstapjes ziet liggen in het treinstation of in de inkomhal van een appartementsgebouw.

“Hij had geen goed spul bij, er zijn al drie jonge mensen aan overleden sinds hij hier verkoopt. Blijf hier weg”, mompelt de man en stapt weg zonder nog iets te zeggen.

Sanne is sprakeloos en ziet de man weggaan in de richting van een groepje mannen dat alles heeft gevolgd en die hem luid aan het toejuichen zijn. Als hij bij hen aankomt, steken ze hem een halfvolle fles goedkope wijn in zijn handen en kloppen hem bewonderend op zijn schouder.

Ze stapt kwaad weg en besluit haar vertrouwde dealer op te zoeken. Even later verspreidt dat bekende hete gevoel zich door haar aders en is ze weer voor even weg van de wereld. Maar ’s nachts, net vóór ze thuis in haar bed inslaapt, denkt ze terug aan het voorval. Wat als die man gelijk had ?

5

De volgende ochtend rent ze vroeger dan gewoonlijk de keuken binnen waar haar grootvader het ontbijt aan het klaarmaken is. Ze geeft hem vlug een kus in zijn nek en voor hij zijn rolstoel kan omdraaien is ze al de deur uit. Onderweg naar school stapt ze een krantenwinkel binnen, koopt de regionale editie van de krant en bladert er snel door.

En ja hoor, ze schrikt als ze een groot artikel op de derde pagina opmerkt waarin melding gemaakt wordt van drie jongeren die overleden zijn aan een overdosis! De journalist heeft uit betrouwbare bron vernomen dat de overlijdens te wijten zijn aan een nieuwe variatie van een bekende drug. Deze variant blijkt dodelijke gevolgen te hebben indien deze toegediend wordt in een te grote dosis.

Een rilling loopt over haar rug wanneer Sanne dit leest. Dus die dakloze man had gelijk. Ze beslist om voortaan heel goed op te letten en enkel nog af te nemen bij de dealers die ze kent. Als ze een half uur later in de klas zit, kan ze haar ogen niet afhouden van de lege plaats rechts vooraan. Eén van de dodelijke slachtoffers was een meisje uit haar leerjaar.

6

’s Avonds is ze in haar gebruikelijke roes op weg naar huis als er plots drie jonge mannen haar de weg versperren. Ze stapt van het voetpad om hen voorbij te gaan maar de grootste van de drie neemt haar vast en duwt haar in een klein donker straatje. Terwijl één van hen op wacht blijft staan, dwingen de twee anderen haar in een portaal van een flatgebouw en beginnen haar uit te kleden. Sanne wil dit niet laten gebeuren maar kan niet anders dan het te ondergaan. Ze is nog te high om zich echt te kunnen verzetten. De twee jongens zijn nu door het dolle heen en trekken haar ruw op de grond.

Maar ze worden in hun bezigheden verstoord als ze verderop ineens een harde klap horen. Ze roepen hun makker maar er komt geen antwoord. Eén van de twee gebaart dat de andere moet gaan kijken. Wanneer deze nog maar één stap uit het portaal heeft gezet, krijgt hij een enorme klap tegen het hoofd en valt hij bloedend als een rund voorover. Een seconde daarna verschijnt een man met een woedende blik in zijn ogen en, veel erger, met een baseball bat in zijn twee grote handen.

De jongen bij Sanne laat haar los, springt recht en kiest het hazenpad. Maar hij raakt niet ver want zijn knieschijf wordt in één klap verbrijzeld met een rake slag van het harde hout. Sanne zit op de grond en kijkt op naar de man die ze herkent van de vorige keer dat hij haar beschermd had. Hij schudt zijn hoofd, draait zich om en stapt weg met de bebloede baseball bat losjes slingerend in zijn hand. Sanne voelt zich plots heel verdrietig en tegelijk heel schuldig. Ze barst in tranen uit en beseft dat het zo niet verder kan.

1 maand later

Sanne stapt thuis van het terras de achtertuin in en stapt vrolijk naar haar opa. Ze ziet hem in zijn rolstoel zitten halverwege het paadje dat naar de moestuin leidt. Hij is blijkbaar afval aan het verbranden. Wanneer ze bij hem komt, bukt ze zich en omhelst ze hem stevig. Ze legt haar hoofd op zijn schouder en knijpt in zijn wang.

“Kom je eten opa? Ik heb je lievelingsgerecht klaargemaakt: hutsepot.” Hij geniet van de geur van haar pas gewassen haar als ze hem knuffelt en hij is zo gelukkig dat zijn kleindochter nu meer tijd thuis doorbrengt en niet meer door de straten dwaalt. Hij geeft ze een klinkende zoen en zegt dat hij binnen vijf minuten klaar is.

Wanneer Sanne naar binnen is, pookt hij met een lange stok nog eens in het vuurtje dat hij daarnet aangestoken heeft. Hopelijk heeft ze die scherpe geur van plastiek niet opgemerkt. Hij ziet dat de baard nu bijna helemaal gesmolten is. De pruik en de vuile kleren zijn intussen al herleid tot een klein hoopje as.

Nu het bijna zeker is dat Sanne afgekickt is, wordt het tijd om morgen de eerste zogezegde pogingen te doen om terug te leren lopen. Toneel spelen heeft hij altijd graag gedaan.

________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________