Zaterdag. Altijd een drukke dag. En ook een gevaarlijke dag voor mannen. Een dag van glad ijs.
Vooral als aan de ontbijttafel die befaamde zin wordt uitgesproken die exclusief voorbehouden is aan vrouwen. “Ik heb niets om aan te doen“. Dan weet je dat je al je snode plannen mag opbergen voor die dag. En dat je in de late namiddag zal thuiskomen met lamme benen van al dat slenteren.
Als je in een moedige bui bent, kun je nog proberen weerstand te bieden. Maar dat is meestal pro forma. En even later zit je in de auto. Met je vrouw op haar troon naast je. Op de parking van de winkel aangekomen zie ik dan altijd enkele lotgenoten rondhangen. Zij hebben geluk want zij moeten of mogen niet mee naar binnen. Het is maar hoe je het bekijkt.
De mannen die daar buiten staan lijken gefocust op hun mobiele telefoon. Ze zijn steeds driftig aan het scrollen. Maar schijn bedriegt. Want uit hun ooghoeken hebben ze alles gezien wat passeert. Vooral dan de jongedames. Die merken hen toch niet op. Hun vizier is gericht op de ingang van de klerenwinkel. Tunnel Vision.
Ik merk dat sommige mannen verkiezen om in hun auto te wachten. Zij hebben waarschijnlijk stiekem de radiozender gewijzigd naar Nostalgie. Zodat de oude discomuziek hen doet dagdromen over hun lenige dansmoves van toen ze jonger waren. En over het succes dat ze daarmee hadden op de dansvloer. Althans, zo zit het in hun hoofd.
Maar ik ga dus altijd mee naar binnen. En ik aanvaard mijn lot. Want eens je over de drempel bent binnengestapt, wordt het rollenpatroon helemaal omgekeerd. De vrouw wordt nu de jager. En de man is gedegradeerd tot een hulpje. Een schildknaap. Belast met het dragen van uitgekozen kleding, van haar mantel, haar sjaal en haar handtas. Maar dat laatste weiger ik kordaat. Ik heb haar gezegd dat ik het wil doen als ik 80 ben. Dan kan het me niet meer schelen. Dan wordt het schattig.
Er zit niets anders op dan mijn levenspartner gedwee te volgen tussen al die rekken met kleuren en vormen. Soms stopt ze even en neemt ze iets vast en lijkt ze na te denken. Best niets zeggen op dat moment. Je kent er toch niets van.
Nadat je alle uithoeken van de winkel driemaal hebt gezien, komt er een “moment of truth“. Ofwel heb je pech en zegt ze “Kom, hier is niks.” Terwijl de boetiek letterlijk volgestouwd is met kleren. In dat geval ben je eraan voor de moeite. En speelt het identieke scenario zich nog eens af in een andere winkel. Je stappenteller zal in het rood gaan.
Ofwel heb je geluk en kom je uiteindelijk aan in de heilige ruimte van de paskamers. Opgepast, dit is een kritische fase. Als je hier iets verkeerd zegt, zal dit zware gevolgen hebben voor de rest van je weekend. En ga vooral niet wandelen want het goed dicht zijn van het gordijntje is jouw grote verantwoordelijkheid.
Als mijn vrouw uit het pashokje stapt, is het uur van de waarheid aangebroken. Aangezien ik al heel wat veld ervaring heb, weet ik ondertussen wat ik niet mag doen. Bijvoorbeeld alles goed vinden. Of overdreven één stuk bewieroken, om te tonen dat je wel degelijk een mening hebt. Dat werkt niet. Want je hebt er geen.
Er is maar één manier om er heelhuids door te komen. En dat is eerlijk zijn. Objectieve commentaar geven. Maar wel steeds met een positieve ondertoon. Bijvoorbeeld : “Ik vind dat kleedje te breed, het flatteert je lijn niet“. Een goed geheugen helpt ook. Als je kan verwijzen naar een pasbeurt van in het verleden, zal je ongetwijfeld punten scoren. En ben je sneller buiten. En daar gaat het uiteindelijk om.