Ettelijke jaren geleden werd ik geselecteerd als jurylid voor een assisenproces en dat was een unieke ervaring voor mij, eentje die ik nooit zal vergeten. Vandaar dat ik jullie een blik achter de schermen wil bieden.

Tijdens de vergaderingen in afgesloten zalen met de andere juryleden en ook tijdens de openbare zittingen zelf belandden we met z’n twaalven in een ware rollercoaster van emoties. We kregen getuigen te horen, experten, nabestaanden en niet te vergeten de beschuldigde zelf. We aanhoorden de meest vreselijke details over de misdaad en kregen zelfs het moordwapen in de handen geduwd.

Justitie transformeerde op één week van een vaag begrip in ons hoofd naar een opeenvolging van concrete stappen die we verplicht moesten volgen met één belangrijk doel: als groep een zo rechtvaardig mogelijk oordeel vellen over de beschuldigde, en dit terwijl we er ons heel goed van bewust waren wat de gevolgen voor die persoon zouden zijn.

Om redenen van privacy vermeld ik nergens namen of datums.

Ter info: al de teksten op deze website zijn onderhevig aan copyright en mogen niet gekopieerd of gedeeld worden

De loteling

Op een avond belde iemand bij ons aan en toen ik de voordeur opende stond er een statige oude man in een lange regenmantel voor mijn neus. Ik viel bijna achterover toen hij zich voorstelde als een deurwaarder. Onmiddellijk flitsten door mijn hoofd visioenen van meubels die buiten gesleept worden met als resultaat een lege woonkamer met enkel nog een telefoon op de grond.

Maar gelukkig was het niet daarom dat hij naar Eppegem was afgezakt. Hij overhandigde mij namelijk op plechtige wijze een verzoek om mij aan te melden in het Gerechtshof. Reden: ik was uitgeloot als mogelijk lid van de volksjury voor een assisenproces! Ik dacht eerst dat dit ongeveer hetzelfde zou zijn als wanneer iemand gekozen wordt om stemmen te gaan tellen bij de verkiezingen. Maar al gauw drong het tot mij door dat deze vergelijking totaal niet opgaat. Want ik zou mee moeten beslissen over het lot van een andere mens. Hem naar de gevangenis sturen of er een vrij man van maken. Heavy dus.

Gelukkig stond het nog helemaal niet vast dat ik finaal zou uitgekozen worden om deel uit te maken van die jury. Dus wanneer de dag van de zitting aangebroken was reed ik naar met gemengde gevoelens naar het Gerechtshof. Onderweg werd ik zonder enige verwittiging in mijn enkel gebeten door een boze Chihuahua en dankzij de vlijmscherpe tandjes was ik klaarwakker en voorbereid op het ergste.

Nietsvermoedend beklom ik de trappen van het monumentale gebouw en toen ik door de grote toegangspoort naar binnen ging botste ik op een lange rij wachtenden die net zoals ik opgeroepen waren. Ik vroeg een ambtenaar de weg naar het toilet en ik kon zowaar op mijn eentje door alle gangen lopen. Qua beveiliging in die toenmalige tijden van terreur kon dat al tellen.

Toen ik terugkeerde en achteraan begon aan te schuiven gleed mijn blik over mijn lotgenoten. Ik stelde vast dat deze grote groep mensen een representatief staal van de Vlaamse bevolking leek te zijn. Jong, oud, mooi, lelijk, dun, dik. En wat mij opviel, iedereen leek zeer zenuwachtig, en keek schichtig om zich heen. Nergens kon ik een glimlach op een gezicht bespeuren. Het gaf me de indruk dat ze allemaal liever op een andere plek zouden zijn als daar in die rij.

Toen het mijn beurt was om mij aan te melden zag ik aan een oude krakende tafel drie kranige ambtenaren zitten die niet meer van de jongsten waren. Eén van de drie confiskeerde mijn oproepingsbrief en vanaf dat moment tot het einde van de dag werd ik herleid tot een nummer. Nummer 9. Ik werd aangepord om door een poortje met een metaaldetector (zoals op de luchthaven) te lopen en ondanks massa’s kleingeld en sleutels in mijn zakken werd ik niet tegengehouden. Misschien was het ding die dag in staking .

In de zaal daarachter werd ik door Jansens en Janssens (twee gerechtsdeurwaarders die als twee druppels water op elkaar leken) kordaat gevraagd om te gaan zitten en samen met  87 (!) anderen keek ik nieuwsgierig rond. Recht voor ons stond op een verhoog een ellenlang bureau met daarachter drie lederen bureaustoelen met hoge rug, het altaar van de rechters. Aan onze linkerkant bevond zich de zone waar de advocaten en de beschuldigde later plaats zouden nemen. En rechts zag ik de twaalf lege stoeltjes voorbehouden voor de jury. Net zoals op TV.

Ineens weerklonk een harde bel en kwam er een barse stem uit de hemel die ons beval om recht te staan: “Het Hof!”. Iedereen sprong gehoorzaam recht en drie rechters en een griffier kwamen haastig binnengelopen. En toen we terug mochten gaan zitten begon er een waar toneelstuk.

De catwalk

De middelste rechter, gekleed in een Ferrarirode toga voorzien van elegante witte en zwarte accessoires, nam een lijvig document ter hand en begon zonder ons te begroeten een tekst voor te lezen. Na enkele zinnen keek iedereen in het publiek elkaar verschrikt aan want niemand begreep er een snars van. Niet alleen stond de micro niet luid genoeg maar de tekst werd met een snelheid voorgelezen die alleen kon geëvenaard worden door een veilingmeester.

Toen de zaal te rumoerig werd en iemand het zelfs aandurfde om zijn hand op te steken en te melden dat hij er niets van verstond, werd die man snel door Jansens de mond gesnoerd. Toen de monotone monoloog eindelijk stopte, kregen we de lakonieke mededeling dat de tekst die voorgelezen was niet voor ons bedoeld was. Leuk om dat pas achteraf te weten te komen. En plots ging daar die bel weer, en iedereen sprong terug recht. Fitness bij Justitie, of is het eerder Pavlov?

De volgende twintig minuten werden we in het ongewisse gelaten over het verdere vervolg en iedereen begon dan maar met zijn of haar buurman of buurvrouw te praten. De algemene tendens was dat ze allemaal heel nieuwsgierig waren en dat ze allemaal wel iets beter te doen hadden dan daar te zitten wachten.

Voor de derde keer die dag werden we opgeschrikt door de luide bel en de strenge stem. Ik merkte duidelijk dat het recht springen bij iedereen al iets minder enthousiast gebeurde. Toen we terug mochten gaan zitten werd het plots muisstil in de zaal. Want toen ging voor de eerste keer die dag de deur aan de linkerkant open. En door die deur kwam de beschuldigde binnenwandelen, geflankeerd door twee agenten met kogelvrije vest, en zijn verschijning maakte duidelijk indruk op de hele groep. De reden waarvoor we daar aanwezig waren was nu tastbaar geworden, een mens zoals wij, en we vroegen ons allemaal af van welke misdaad die man beschuldigd werd.

Toen ook de verschillende advocaten hun entree maakten waren alle acteurs aanwezig op het podium. Na een inleiding kregen we te horen dat het moment aangebroken was voor diegenen onder ons die van mening waren dat zij vrijgesteld zouden moeten worden van juryplicht. Onmiddellijk stond een twintigtal mensen klaar in de startblokken om de rechters te bestormen. Janssens & Jansens hadden alle moeite van de wereld om hen in toom te houden en uiteindelijk sloegen ze als volleerde schapenhoeders erin om hen één per één naar voor te laten te gaan. Daar, op het verhoog, ten aanzien van de rechters en ook van het publiek, moesten zij dan hun argumentatie op tafel leggen in de hoop ontlast te worden van hun plicht.

Dit komen en gaan van mensen die hoopvol naar voor stapten en die ongetwijfeld al die blikken in hun rug voelden branden, duurde een hele tijd. Sommigen kregen vrijstelling, anderen niet. Iedereen in de zaal spitste zijn oren om hun argumenten trachten te horen maar we konden slechts af en toe flarden opvangen. Woorden als ‘zelfstandige’ en ‘vier kinderen’ passeerden alleszins de revue.

Daarna werden de namen voorgelezen van iedereen die niet vrijgesteld was en die dus in de zaal zou moeten zitten. En natuurlijk moest je rechtstaan wanneer je je naam hoorde, je moest nog net niet salueren. Omdat er een aanzienlijk deel hun kat gestuurd hadden daalde het aantal verkiesbare individuen tot 58. De griffier stak dus 58 nummertjes in een lugubere urne en de bedoeling was om op die manier de jury te bepalen. Aangezien er 14 juryleden zouden verkozen worden (12 plus 2 plaatsvervangers) dacht ik dus ongeveer één kans op vier te hebben dat ik zou uitgeloot worden. Maar Maar er was één belangrijk element waarmee ik op dat ogenblik geen rekening hield.

De lottotrekking

Namelijk het systeem van de wraking. De procureur generaal en de advocaten van de verdediging hadden blijkbaar een vetorecht en mochten bepaalde mensen weigeren. En ik  zag de mensen rondom mij denken: is het nu goed dat ik afgekeurd word of niet?

Wat daarna volgde leek heel sterk op de trekking van de Lotto nummers, met dat verschil dat we nu niet zeker waren dat we iets zouden winnen. Toen ik de rechter ‘negen’ als eerste nummer  hoorde uitspreken schrok ik op en dacht ik dat ik er al bij was. Maar gelukkig volgde na de negen direct de vijf, het was dus nummer 59. Ook 29, 39 en 79 kwamen zo voorbij, het leek wel een flauwe grap. Ik denk nog altijd dat het met opzet gedaan was om mij elke keer te doen schrikken.

De personen wiens nummer afgeroepen werd moesten naar voor treden, alsof het een catwalk betrof, vervolgens naast Jansens gaan staan en, wat blijkbaar zeer belangrijk was, oogcontact maken met de procureur generaal en de advocaten van de verdediging. Waarom? Weet ik niet. Zien zij iets in je ogen? Kijken ze naar je schoenen om te zien of die proper zijn? Alleszins, het leek op spitsroeden lopen want de opgeroepenen stonden daar dan te wachten op hun beoordeling, als vee op een jaarmarkt, en dat voor het oog van iedereen. Sommigen werden ‘gewraakt’ en mochten terug gaan zitten. Anderen werden ‘goedgekeurd’ en dienden plaats te nemen op de stoeltjes aan de rechterkant die voorzien waren voor de jury.

Toen er al 10 van de 14 stoelen bezet waren begon ik te denken dat ik er niet bij zou zijn. En dat mag je natuurlijk nooit doen want op dat eigenste moment werd mijn nummer 9 uit de urne bovengehaald. Ik stapte naar voor en het voelde ook voor mij aan als een examen, maar dan wel eentje waarvoor je niet kan studeren. Onmiddellijk kreeg ik tweemaal ‘goedgekeurd’ te horen en moest ik dus de andere uitverkorenen vervoegen. Op dat moment wist ik ook nog steeds niet of het nu een goede zaak was of niet.

Toen de jury eindelijk voltallig was werd de zitting voor een half uur geschorst en werden we door Jansens begeleid naar een zaal waar 14 tafels opgesteld stonden in de vorm van een vierkant. Hij vertelde dat die zaal tijdens het proces ons tweede thuis worden. Toen we alleen gelaten werden en hij de deur achter zich sloot viel er een onwennige stilte. Schuchtere blikken, gebogen hoofden, spelen met de gsm. Maar na een tijdje kwamen bij een tas koffie de tongen los en begonnen we spoedig met elkaar kennis te maken. Het was meteen duidelijk dat iedereen er het beste van wilde maken.

Ik keek rond naar de 13 mensen met wie ik een volle week zou doorbrengen van ’s morgens tot ’s avonds en ik dacht bij mijzelf dat ik het erger zou kunnen getroffen hebben. 9 vrouwen, 5 mannen. Rebellen of dictators leken er op het eerste gezicht niet tussen te zitten. Toch vroeg ik me op dat moment al af hoe die finale groepsdiscussie op de laatste dag van het proces zou verlopen, wanneer we ons zouden moeten uitspreken over schuld of onschuld.

Na de schorsing kregen we gedurende een uur nog een uitgebreide uitleg over hoe het proces in zijn werk zou gaan en wat de verwachtingen waren ten opzichte van ons, de jury. De bedoeling was dat wij op een rationele wijze, zonder de minste vooringenomenheid, zouden beslissen over de schuldvraag. En om tot die beslissing te komen waren wij verplicht om het concept van ‘redelijke twijfel’ in acht te nemen. Want een absoluut bewijs waarbij er geen sprake meer is van twijfel zouden wij volgens de voorzitter zeker niet te horen krijgen. Zo gemakkelijk zou het dus niet worden.

Toen we absolute confidentialiteit hadden moeten zweren, ook tegenover onze teergeliefden, en na een lange dag vermoeid de muffe zaal verlieten was de stemming binnen de groep helemaal veranderd. Plots drong het diep tot ons door dat wij daar best een zware verantwoordelijkheid op onze schouders zouden moeten nemen. Niet alleen tegenover de beschuldigde maar ook tegenover de nabestaanden van het slachtoffer, en de samenleving in haar geheel. Als dat maar goed gaat.

Dag 1 van het assisenproces – de beschuldigde aan het woord

Aangekomen in de hal van het Gerechtshof zag ik advocaten in hun zwarte toga, gewone burgers die het proces komen bijwonen en politie agenten met kogelvrije vesten.

Een vriendelijke bode opende voor mij de deur naar de backstage en ik vervoegde mijn collega juryleden in de zaal die voor een volle week ons exclusief buitenverblijf zou worden. Koude en warme dranken, fruit en koekjes waren in ruime mate aanwezig, en dat zou vooral de laatste dag heel nuttig worden.

Om 9u kwam Janssens ons halen en in groep stapten we bedremmeld de zaal binnen die tot mijn grote verrassing helemaal volgelopen was. We namen plaats in de volgorde die bepaald werd door de loting en aanvankelijk durfde ik niet mijn hoofd naar links draaien om een blik te werpen op het publiek. Want ik wilde absoluut oogcontact vermijden met de nabestaanden van het slachtoffer. Al gauw weerklonk de luide bel en sprong iedereen recht. De voorzitter en twee vrouwelijke rechters deden hun intrede en het proces kon nu echt van start gaan.

Het volgende uur was iedereen veroordeeld tot passief luisteren en dat zou gedurende de eerste vier dagen eigenlijk onze voornaamste bezigheid worden. De jonge procureur las de Akte van Beschuldiging voor en vreemd genoeg was die tekst op bepaalde momenten echt wel boeiend. Er zitten volgens mij enkele miskende literaire talenten bij Justitie. Terwijl ik aandachtig luisterde keek ik rond en merkte dat op een lange tafel alle ‘overtuigingsstukken’ waren uitgestald. Ik zag een pc staan, gsm’s bedekt met bloedspatten, vele stapels papier en last but not least, een enorm jachtgeweer met bijhorende munitie.

Nadat alles voorgelezen was werd de zitting opgeschort en het viel ons op dat de beschuldigde eerst door de twee agenten werd weggeleid en pas wanneer hij zich een verdieping lager bevond mochten wij de zaal verlaten. Na een korte pauze nam de voorzitter het woord en begon hij aan een zware taak: de ondervraging van de beschuldigde. De periode van vóór de misdaad werd door hem minutieus terug opgebouwd waardoor we een duidelijk beeld geschetst kregen van de omstandigheden die aan het misdrijf voorafgingen. En dan, net wanneer het spannend begon te worden, was het middagpauze.

Wij waren als jury bevoorrecht en mochten gaan eten in een etablissement van de oude stempel waar moeder Justitie voor ons één van de zaaltjes had gereserveerd. We kregen daar de hele week eenvoudige gerechten op ons bord die zonder uitzondering stamden uit grootmoeders tijd. Maar veel belangrijker was dat we als groep er even van tussenuit waren en dat deed ons deugd.

Na de middagpauze met een volle maag in een veel te warme zaal gaan zitten is normaal gezien een garantie om snel in slaap te dommelen. Maar dat bleek hier niet het geval te zijn. Ik was erg onder de indruk van de vragentechniek van de voorzitter die als een hyena rond zijn gewonde prooi sloop en met elke vraag iets dichter bij zijn doel kwam. Wanneer de beschuldigde duidelijk geëmotioneerd in detail begon te beschrijven hoe hij de moord had gepleegd was het muisstil in de zaal en hing iedereen aan zijn lippen.

Eén van zijn uitspraken blijft me tot vandaag nog altijd bij: ‘Van het ene moment op het andere kantelt je wereld en je wordt plots een monster’. Ik kan er me enigszins iets bij voorstellen. Wanneer hij mij soms recht in de ogen keek, al dan niet toevallig, voelde ik mij zeer ongemakkelijk. Tenslotte is het een mens zoals alle anderen die daar stond, met dat verschil dat hij iets onvergeeflijk heeft gedaan en er nu voor terecht moest staan.

Nadat de voorzitter door zijn vragen heen was werd de beschuldigde nogmaals op de rooster gelegd, nu door achtereenvolgens de procureur en de advocaten van de burgerlijke partij. We kregen nu een heel ander type vragen te horen, die duidelijk gesteld werden met het oogmerk om compromitterende uitspraken te ontlokken aan de beklaagde. Vooral één advocaat ging daar heel ver in en kreeg daarvoor een gele kaart van de immer alerte voorzitter.

Daarna kwamen de advocaten van de verdediging aan het woord en hun tactiek werd ook snel zichtbaar. Door de manier waarop ze hun vragen stelden, namelijk op een sluwe en een indirecte manier, slaagden ze erin om zaadjes in ons hoofd te planten die ons ertoe moesten leiden de gebeurtenissen van een heel andere kant te bekijken.

Wanneer de vermoeidheid van deze eerste procesdag stilaan begon te wegen dienden we ons nog door de ondervraging van de vrouwelijke onderzoeksrechters te slepen. En plots was mijn goede indruk van de efficiënte aanpak van dit proces verdwenen. Want aan die twee arme dames werd gevraagd om commentaar te geven over feiten die meer dan drie jaar geleden hadden plaatsgevonden! Vanzelfsprekend leverde dit niet veel op en was het eigenlijk puur tijdverlies voor iedereen.

Vooraleer de zitting definitief geschorst werd kreeg de beschuldigde nog het laatste woord. De getormenteerde man nam aarzelend de micro en bedankte stamelend de twee onderzoeksrechters voor het begrip dat ze voor hem getoond hadden net na de feiten door hem nog te laten bellen naar zijn zieke moeder. Maar verder geraakte hij niet want hij barstte ineens in tranen uit. Ik keek naar mijn collega juryleden en ik voelde ook bij hen de verwarring. Wat moesten we hier nu van denken? Was dit gemeend of waren het krokodillentranen?

Ik besloot er niet verder over na te denken en trachtte niet te vergeten waarom Vrouwe Justitia in feite geblinddoekt is: emoties mogen nooit een rol spelen.

Dag twee van het assisenproces – de eerste getuigen

Wanneer ik op de tweede dag van het assisenproces onderweg was naar het Gerechtshof dacht ik aan mijn teergeliefde. Ik kon een glimlach bijna niet onderdrukken als ik terugdacht aan de avond ervoor en hoe ze werkelijk alles uit de kast haalde om iets proberen te weten te komen. Haar vragentechniek was bijna zo goed als die van de voorzitter maar net niet goed genoeg.

In ons knus privézaaltje aangekomen overhandigde ik mijn gsm aan de voorzitster van de jury waarna ze die met alle andere toestellen veilig wegborg. Ik merkte direct dat er binnen ons groepje al geen sprake meer was van onwennigheid. Het leek zelfs of we elkaar al veel langer kenden. Iedereen was erg benieuwd naar wat deze tweede dag ons zou brengen. Vooral omdat de voorzitter ons had meegedeeld dat er die dag maar liefst 43 getuigen opgeroepen waren!

’s Morgens beten de politie inspecteurs en rechercheurs de spits af. Met z’n zessen kwamen zij verslag uitbrengen over welke acties zij hadden ondernomen ten tijde van de feiten. Even dacht ik in een vergadering op kantoor te zitten wanneer zij een lange Powerpoint presentatie opstartten. Twee dingen vielen wel op. Ten eerste verschilde de realiteit ten velde niet zoveel van wat getoond werd in de bekende politieseries op TV (gele politielinten, overhoringen in kleine kamertjes enz.). Ten tweede dient Justitie dringend te investeren in duurdere fototoestellen. Sommige foto’s waren totaal onderbelicht zodat wij in de jury geen goed beeld kregen van de plaats waar het allemaal gebeurde.

Gedurende het hele proces leerde ik veel over de algemene werking van Justitie. En soms ook over meer wereldlijke zaken, en daarvan keeg ik op de tweede dag een voorsmaakje. Er bestaat blijkbaar een software die stiekem kan ingebouwd worden in de gsm van iemand anders en die laat dan toe om diens tekstberichten en oproepen te bekijken en te beluisteren. Het is zelfs mogelijk om de camera en de microfoon van de telefoon vanop afstand te activeren.

Even later deelden de politiemannen aan iedereen mee dat er gruwelijke foto’s zouden getoond worden. Ieder van ons moest even slikken toen de weduwe van het slachtoffer en haar dochter snel de zaal verlieten. Ik wilde niet weten wat er op dat moment in hun hoofden omging. Als juryleden waren wij natuurlijk verplicht de beelden wel te bekijken en ik kan jullie verzekeren dat het geen pretje was. Want wat we te zien krijgen was geen acteur die daar dood op de grond lag, maar een echte man in een echte bloedplas.

Na de politie kwamen de wetsdokters getuigen over de verwondingen van het slachtoffer, het tijdstip van overlijden en de doodsoorzaak. Ik vernam onder andere dat iemand die getroffen wordt door een dodelijk schot niet voor- of achterover valt, maar gewoon ineenzakt als een bloemzak, dit door het plotse verlies van de spiertonus. Dus helemaal niet zo spectaculair zoals in de films.

Net zoals de politiemannen bleken ook de dokters niet veilig te zijn voor de sluwe vragen van de advocaten van de verdediging. Op de vraag ‘U kan dus de positie van het slachtoffer op het moment van de kogelinslag eigenlijk niet bepalen?‘ moesten de dokters noodgedwongen ‘Neen‘ antwoorden. Met dat ene zinnetje worden hun gissingen dat de man met zijn rug naar de schutter stond volledig teniet gedaan. En daardoor wordt ook de twijfel in onze veertien hoofden nog meer aangewakkerd.

De middagpauze kwam als geroepen en in groep, het leek wel een schooluitstapje, wandelden we druk pratend door het centrum van de stad waar we de inwendige mens gingen versterken. En deze keer bleef het niet alleen bij eten. Want wanneer de borden leeg waren lag één van ons al snel op de grond en organiseerden we achter gesloten deuren op het tapijt onze eigen wedersamenstelling. De verschillende poses en de wilde complot-theorieën werkten nogal op onze lachspieren en het deed iedereen goed om eens te kunnen lachen.

Maar dat nam niet weg dat we allemaal een beter zicht wilden krijgen op wat er zich toen had afgespeeld tussen die drie personen in die kleine keuken. We herinnerden ons echter goed de wijze woorden van de voorzitter: het proces is als een puzzel en pas op de laatste dag zullen we beschikken over alle nodige puzzelstukjes. En dan komt het erop aan om ze op de juiste plaats te leggen. Hoe gingen we dat in hemelsnaam doen?

Dag 2 van het assisenproces – de wapendeskundige en andere experten

Na de middagpauze kregen we bezoek van een constant glimlachende, piekfijn afgeborstelde professor. Hij slaagde erin om op vijf minuten tijd een verklaring af te leggen over de al of niet aanwezigheid van toxicologische stoffen in het bloed van zowel dader als slachtoffer. Het leek wel een speed date.

Wanneer de volgende getuige door Janssens (of is het Jansens?)  werd binnengeleid merkte ik dat iedereen van de jury een beetje rechter op zijn stoel ging zitten. Het was namelijk de wapendeskundige die binnentrad en van hem werd heel wat verwacht. Getuige daarvan waren de vele vragen die wij als jury op hem afvuurden. Op de laatste dag, tussen pot en pint, zou de voorzitter ons verklappen dat hij op dat moment zat te bibberen van schrik. Want er moest maar een vleug van vooringenomenheid te bespeuren zijn in de manier waarop wij onze vraag stelden en de advocaten van de verdediging zouden het jurylid in kwestie al hebben kunnen wraken.

Maar dat gebeurde gelukkig niet en het werd één van de belangrijkste en leerrijkste getuigenissen voor ons allemaal. De informatie die we daar aangereikt kregen heeft ons zonder twijfel geholpen in het verdere verloop van het proces. Leerrijk maar wel niet aangenaam. Want om zijn uitleg kracht bij te zetten nam de man het (ongeladen) moordwapen uit de doos en zwaaide hij er lustig mee rond.

Hij ging zelfs zover dat elk lid van de jury de trekker van het geweer mocht overhalen, om zo een indruk te krijgen van de kracht die daarvoor nodig is (twee kg). Wanneer het mijn beurt was flitste het door mij heen dat de dader drie jaar geleden identiek dezelfde handeling had verricht. Maar bij hem volgde er een luid schot en werd een dodelijke lading hagel afgevuurd op een weerloos slachtoffer. Wanneer even later de beschuldigde door een collega jurylid verzocht werd om staand met het geweer te demonstreren hoe hij een proefschot had afgevuurd, voelde ik een rilling van onbehagen over mijn rug lopen.

Als het geweer terug was opgeborgen en de wapenexpert bedankt werd voor zijn getuigenis, draaiden alle hoofden in de zaal naar de grote ingangsdeur. Want nu was het de beurt aan de kroongetuige, een lieftallige dame van Oosterse origine, die aanwezig was toen de feiten gepleegd werden. Wanneer de deur zich traag opende en ze geheel in het zwart gekleed samen met haar tolk de zaal binnenstapte kon je een speld horen vallen in de volgelopen zaal.

Haar ondervraging door de voorzitter verliep jammer genoeg zeer moeizaam omdat alles continu in beide richtingen door de tolk moest vertaald worden. Bovendien praatte de voorzitter met opzet heel traag en met overdreven articulatie om eventuele misverstanden te vermijden. De ondervraging leidde tot ongewild grappige toestanden wanneer de kroongetuige als antwoord op een vraag een ellenlange monoloog afstak en de tolk dit naar het Nederlands vertaalde met slechts één woord.

Tijdens haar getuigenis zag ik de beschuldigde van achter zijn advocaat komen piepen om een blik te kunnen werpen op wat voor hem nog steeds de vrouw van zijn leven was. De vrouw beantwoordde echter nooit zijn blik en wanneer ze vertelde over de schoten die toen gelost werden, verborg de vrouw haar gezicht in haar lange zwarte haren. Zachtjes wenend beschreef ze de gruwelijke verwondingen die haar minnaar (het slachtoffer) daarbij opliep. Op dat moment was de beschuldigde niet meer te zien want dan was hij weggedoken achter de brede rug van zijn advocaat.

Na haar ingetogen getuigenis verliet de vrouw geruisloos de zaal en was het tijd voor een ander onderdeel van het Assisenproces: het moraliteitsonderzoek. Dit is niets minder dan een uitgebreide biografie van zowel de dader als het slachtoffer en kwam op mij over als een verplicht nummertje. Amateurpsychologen gaan er misschien bepaalde stukken uit selecteren, zoals bijvoorbeeld een moeilijke jeugd, en daarmee bepaalde handelingen trachten te rechtvaardigen. Maar dat was niet aan mij besteed.

Aan het einde van de dag kreeg ik mijn gsm terug, nam afscheid van de groep en stapte het Gerechtshof buiten. Ondanks het feit dat ik mij terug in de gewone wereld bevond, bleef de zaak me bezighouden, ook ’s avonds. Ik realiseerde me dat ik heel veel nieuwe informatie had ontvangen maar dat er evenveel nieuwe vragen waren bijgekomen.

Dag 3 van het assisenproces – de families

Die dag kwamen de familieleden van zowel het slachtoffer als van de dader een getuigenis afleggen. De voorzitter begon de dag met de overhoring van de weduwe die verkoos om samen te getuigen met haar dochter. Tot nu toe hadden zij het proces aandachtig gevolgd vanop de eerste rij en wanneer zij zo waardig mogelijk naar voor kwamen kon ik het verdriet van hun gezicht duidelijk aflezen. Ze namen alle twee onwennig plaats en ik vond het toch maar vreemd dat ze zich nu op slechts enkele meters van de beschuldigde bevonden. Maar noch de moeder noch de dochter zou hem een blik gunnen gedurende hun lange getuigenis.

Hun levensverhaal klonk iedereen in de zaal als heel vertrouwd in de oren. De dame beschreef met weemoed in haar stem het goede huwelijk dat ze had met haar man, hoe ze samen hun kinderen opvoedden en hoe haar echtgenoot een eigen zaak succesvol uitbouwde. Na een korte stilte begon ze echter een minder rooskleurig deel van hun leven te beschrijven. Ze vertelde over de routine die als een traag werkend gif hun relatie was binnengeslopen. Er ontstonden barsten in hun huwelijk, er werden zaken geheimgehouden en sinistere uitlaatkleppen werden buiten het huwelijk gezocht en gevonden. Uiteindelijk zou ze na lang zoeken te weten komen waar haar echtgenoot zo intens naar hunkerde (SM sessie met een Meesteres waarmee hij ook een buitenechtelijke relatie was begonnen).

De kranige dame trachtte dit zo goed mogelijk te verwerken en gebruikt daarvoor een prachtige metafoor die door iedereen in de zaal herkend werd. Ze verklaart dat ze die ‘slechte’ dingen in een virtuele doos stak en die doos vervolgens dichtdeed en opborg. Dat was voor haar de enige manier om nog normaal te kunnen functioneren binnen haar gezin dat ze voor geen geld ter wereld wilde opgeven. Ik ben ervan overtuigd dat ieder van ons wel ergens zo’n doosje heeft.

Het werd heel stil in de zaal wanneer ze vertelde over de dag van de feiten. Vooral wanneer ze het had over hoe ze het overlijden van hun vader aan de kinderen moest meedelen. Ze kon toen niet geloven dat ze die woorden aan het zeggen was. En tegelijk zag ze dat haar kinderen haar onbegrijpend aankeken en niet konden bevatten wat ze hen vertelde.

Wanneer hun getuigenis afgelopen was, kwam misschien wel het meest emotionele moment van het hele proces. De voorzitter vroeg namelijk aan de dochter of zij er nog iets aan toe te voegen had en het meisje knikte kordaat. Met wriemelende handen op haar schoot maar met een vaste stem verwees ze naar het feit dat de beschuldigde zijn eigen moeder nog heeft mogen bellen. Ze zei dat zij die kans niet meer gekregen had, om haar vader nog één keer te horen of te zien. En terwijl ze begon te wenen zei ze nog zachtjes hoe verschrikkelijk en onrechtvaardig ze dat vond.

Overal in de zaal werden tranen weggepinkt en iedereen was zichtbaar ontroerd door de kracht waarmee moeder en dochter hier waren komen getuigen. Justitie toonde eveneens haar menselijke kant want niet alleen de voorzitter maar ook alle advocaten, ook die van de verdediging, bedanketn hen alle twee voor hun sereniteit en wensten hen het allerbeste toe.

Vóór de middagpauze kwamen dan nog buren, vennoten en vrienden van het slachtoffer aan het woord die elk hun verhaal kwamen vertellen over de persoon die plots uit hun leven was weggenomen. Wanneer ik al die beschrijvingen hoorde, vroeg ik me af wat er allemaal over mij zou gezegd worden. Wellicht was ik niet de enige die op dat moment daarover aan het nadenken was.

Tijdens de middagpauze zinderden de emoties bij iedereen nog na en filosofeerden we in groep over wat we die ochtend gehoord hadden. De sfeer tussen ons was echt heel goed en de eerste stemmen gingen al op om elkaar nog eens weer te zien in de nabije toekomst. Eigenlijk was het jammer dat er een dergelijk gruwelijk feit nodig was om mensen samen te brengen die het zo goed met elkaar kunnen vinden.

Dag 3 namiddag – psychiater en psycholoog

Na de middagpauze kwamen een psychiater en een psycholoog verslag uitbrengen over hun analyse van de beschuldigde. Hun bedoeling was om zijn persoonlijkheid in kaart te brengen, zijn intelligentie te testen en zijn toestand op de dag van de feiten te beschrijven.

We kregen in de jury veel informatie te verwerken en soms werden termen gebruikt waarvan we nog nooit gehoord hadden. Bijvoorbeeld wanneer ze spraken over het type geweld dat gebruikt werd door de dader: ‘Affectief geweld’. Dat zei me absoluut niets en later zou de procureur daar dan ook op inhakken.

Vervolgens werden we om de oren geslagen met adjectieven die de gevoelens van de beklaagde beschreven. Verlatingsangst, wantrouwig, gekrenkt, neerslachtig. Sorry, maar dat waren volgens mij emoties die ieder van ons wel eens doormaakt en kunnen niet dienen als excuus om een mens te doden. Wanneer de dokters dan nog een lange rij mogelijke aandoeningen overliepen waarop ze de beschuldigde hadden getest, prees ik me gelukkig dat ik een normaal persoon ben. Hopelijk vinden mijn teergeliefde en mijn vrienden dat ook.

De conclusie van de twee experten was uiteindelijk gelijklopend. Ze besloten dat de beschuldigde een gemiddeld intelligent man is, zonder ernstige persoonlijkheidsstoornissen, en dat hij in verband met de feiten steeds uit vrije wil had gehandeld. Dus anders geformuleerd, hij werd niet ontoerekeningsvatbaar verklaard.

De procureur wou daar wel eens dieper op ingaan. Hij legde aan de twee dokters alle gebeurtenissen voor die pas na hun toenmalig onderzoek aan het licht waren gekomen en vroeg hen dan of ze nog steeds bij hun conclusie bleven. Daarop volgde een tamelijk onaangename discussie, en de algemene irritatie steeg nog meer wanneer de advocaten van de verdediging zich ook in het debat mengden.

De voorzitter greep gelukkig in, bedankte de twee dokters en ging over tot de laatste getuigenissen van het proces, die van de familieleden van de dader. We kregen zijn drie kinderen en zijn zus te zien en het contrast met de familie van het slachtoffer kon niet groter zijn. Deze mensen waren heel zuinig met woorden en, ondanks de pogingen van de voorzitter om reacties los te weken, verliep de communicatie heel stroef. Het viel me tevens op dat enkel de dochter haar vader een blik toewierp, de andere kinderen keken strak voor zich uit.

Ondanks hun link met de dader van deze gruwelijke feiten waren alle aanwezigen in de zaal het erover eens dat ook deze mensen in feite slachtoffers waren. Wanneer de voorzitter hen bedankte voor hun getuigenis, zei hij dit zelfs letterlijk. Na de familie van de beschuldigde kwamen nog enkele buren en één vriend aan het woord.

Deze getuigenissen droegen bij tot het beeld van de beschuldigde dat in mijn geest gevormd werd. En ik deed mijn uiterste best om ervoor te zorgen dat daar geen enkele emotie bij aan te pas kwam. Anderzijds was ik wel zeer benieuwd of ik dat beeld nog zou moeten bijstellen op basis van de pleidooien die de dag erna gingen aanvangen en waar ik erg naar uitkeek.

Dag 4 – de pleidooien van burgerlijke partij en procureur

De vierde dag van het assisenproces begon voor mij in mineur. Door een onaangekondigde omleiding kwam ik terecht in een gigantische file. Het zweet barstte mij uit in de wagen toen ik de minuten zag voorbijvliegen terwijl het verkeer muurvast stond.

Uiteindelijk slaagde ik er in om de snelweg te bereiken en eiste ik de linkerrijstrook op als mijn exclusieve eigendom. Ik belde beschaamd het Gerechtshof om mee te delen dat ik spijtig genoeg te laat ging zijn. De vrees dat ik nu als jurylid zou uitgesloten worden deed pijn aan mijn hart. Maar gelukkig toonde Justitie zich weer van haar menselijke kant wanneer een vriendelijke dame mij onverhoopt meedeelde dat ze op mij zouden wachten.

En inderdaad, toen ik daar hijgend kwam aangelopen met mijn dossier onder mijn arm, stond een bode mij glimlachend op te wachten en werd de deur voor mij royaal geopend. Ik voelde me plots heel belangrijk en nog meer bewust van de ernst van mijn taak. Enkele minuten later zat ik in de zaal voor wat het hoogtepunt moest worden voor de advocaten: de pleidooien.

De voorzitter vroeg hen om elk ongeveer een uur te pleiten en gaf dan het woord aan de eerste advocaat van de Burgerlijke Partij. Wat volgde was een betoog waarin ik tegen wil en dank meegesleept werd. De goed getimede stemverheffingen en de weidse gebaren van de blonde charismatische advocaat maakten op mij een sterke indruk. Naarmate zijn pleidooi vorderde werden zijn kaken roder en roder maar hij slaagde er wel in om bij mij veel twijfels weg te nemen over de intentie tot doden bij de dader.

De tweede advocaat van de Burgerlijke Partij pleitte dan weer op een heel andere manier: eerder bedachtzaam, zeer gestructureerd en uiterst rationeel. Met een scalpel fileerde hij de feiten en alles wat er aan voorafgegaan was. Uit mijn ooghoeken keek ik even naar de nabestaanden van het slachtoffer en ik stelde vast dat de dames van slachtofferhulp geen moment van hun zijde weken. Ik zag ook dat de advocaten van de verdediging tijdens de pleidooien van hun collega’s met elkaar praatten, maar steeds met de hand voor de mond, net als scheidsrechters tijdens een voetbalwedstrijd.

Tenslotte kregen wij van een derde advocate een glasheldere uitleg over hoe wij als jury de misdaad juridisch moesten benoemen: onopzettelijke doding, opzettelijke doding of moord. Ze legde uit dat moord eigenlijk opzettelijke doding is met voorbedachtheid. En dat aan de drie types doodslag verschillende strafmaten verbonden zijn, variërend van 3 jaar tot levenslang. Wij als jury hadden als taak om op de laatste dag van het proces die strafmaat te bepalen.

Vervolgens was het de beurt aan de Procureur Generaal die zijn pleidooi begon door deze misdaad zeer eenvoudig voor te stellen: “Persoon A koopt een geweer, verstopt zich en schiet persoon B neer.” Voor hem was er dus geen twijfel mogelijk dat het hier om een moord ging. Om dat te bewijzen reeg hij alle acties van de beschuldigde aan elkaar en kregen we een geloofwaardig verhaal te horen over een jaloerse man die minutieuze voorbereidingen trof om zijn rivaal te vermoorden en die zijn plannen vervolgens gewetenloos en koelbloedig uitvoerde.

De Procureur zei ook meermaals “Ik ga het niet hebben over…” om er dan wel over te praten, blijkbaar een beproefde tactiek. Hij gebruikte tevens veel beeldspraak met soms keiharde vergelijkingen waarvan sommigen onder ons echt wel opschrokken. Hij sprak bijvoorbeeld over “een meesterbeul” en “een ervaren jager die voor zijn slachtoffer een hinderlaag gelegd heeft”.

Om zijn pleidooi te beëindigen, beklaagde de Procureur er zich over dat de advocaten van de verdediging tot op vandaag niet onthuld hadden wat ze gingen pleiten. Daarmee probeerde hij wellicht een soort van wantrouwen bij ons te creëren. Zijn toon werd nog harder wanneer hij de hoop uitsprak dat zij niet Artikel 71 zouden gaan pleiten (onweerstaanbare drang). Want volgens hem was daar totaal geen sprake van.

Hij beweerde zelfs dat het tegendeel waar was: het ging hier gewoon om een laffe daad die tot in de puntjes voorbereid werd door een man die in het bezit was van al zijn verstand. Na zijn betoog keek ik nog eens naar de beschuldigde. Eerlijk gezegd kostte het me enige moeite om daar een koelbloedige moordenaar in te zien. Maar ik verbood mezelf om zo te redeneren, de feiten waren nu eenmaal de feiten. Ik keek alleszins erg uit naar wat de verdediging deze namiddag zou pleiten.

Dag 4 namiddag – de pleidooien van de verdediging

Na de middagpauze mochten de twee advocaten van de verdediging hun mouwen oprollen voor hun pleidooien. De meest ervaren van de twee begon door ons te zeggen dat er ’s ochtends harde woorden over de beschuldigde gevallen waren en dat die waarschijnlijk nog in onze hoofden weergalmden. Toch vroeg hij dat we ook zeer aandachtig naar zijn pleidooi luisteredn en dit zonder enige vooringenomenheid.

De advocaat praatte heel rustig en zonder één enkele keer zijn stem te verheffen, en dat bleek eveneens een goede techniek te zijn om onze aandacht te vast te houden. Ik had verwacht dat deze man een of andere ingenieuze redevoering ging afsteken, maar niets was minder waar. Tot mijn verbazing deelde hij ons mee dat hij geen truukjes ging gebruiken om ons te beïnvloeden en dat de verdediging zich nederig en niet ambitieus opstelde.

Terwijl hij verder praatte groeide het besef in mijn hoofd waarom hij deze tactiek toepastte. De feiten waren nu eenmaal de feiten en vooral het tweede schot, dat onmogelijk accidenteel kon afgevuurd zijn, speelde de verdediging parten. En daarom koos de advocaat voor een positieve, constructieve pleidooi waarbij hij zelfs humor niet uit de weg ging. Aangezien de “crime scene” een SM club was, gebruikte hij de term “Meester” meermaals in de andere zin van het woord en verklaarde hij dat “artikel 71 gebruiken een reden zou zijn voor het krijgen van een dosis zweepslagen”.

Finaal probeerde hij er ons van te overtuigen dat er wel degelijk sprake was van voorbedachtheid maar dan enkel om een bedreiging uit te voeren, en zeker niet voor een moord. Om dat te staven gaf hij een concreet voorbeeld. “Een dief wil iets gaan stelen in een warenhuis. Thuis neemt hij een rugzakje, legt er zilverpapier en een schaar in, en zet een petje op om niet herkend te worden. In het warenhuis is hij de beveiliging eraf aan het knippen wanneer hij plots betrapt wordt door de Security. Geschrokken steekt hij met de schaar en de man overlijdt. Hier is dus enkel sprake van voorbedachtheid voor inbraak.”

Ook zijn mede advocaat, die na hem pleitte, bleef er op hameren dat er in dit geval teveel twijfel bestond om te spreken over moord. De verdediging ontkende dus de doodslag niet maar drong er bij de jury op aan om ernstig te debatteren over de voorbedachtheid. Wanneer hun betoog beëindigd was, volgden nog de replieken. Dit hield in dat alle partijen nog eens kort mochten reageren op de pleidooien van elkaar. Maar er werd niets nieuws verteld en de voorzitter sloot dan ook het hoofdstuk van de pleidooien af.

Tot slot richtte hij zich nog eens tot de jury en wees ons op de moeilijke en belangrijke taak die we de dag erna zouden moeten vervullen. Die taak zou bestaan uit twee delen. Enerzijds zouden we moeten beslissen over het type doodslag en of er sprake was van voorbedachtheid. Anderzijds zouden we in functie van onze eerste beslissing de strafmaat moeten vastleggen. Met andere woorden, wij gingen morgen beslissen over hoe lang een mens zou opgesloten worden in de gevangenis. Nu werd het echt menens.

Dag 5 – laatste dag – het beraad

Met gemengde gevoelens kwam ik aan in het Gerechtshof op de laatste dag van het Assisenproces. Het gebouw was intussen zo vertrouwd geworden, het leek wel of ik daar al een hele tijd tewerkgesteld was. Hoe gek het ook klonk, ik dacht dat ik de sfeer en de collega juryleden echt ging missen wanneer dit afgelopen was.

Vooraleer we in afzondering geplaatst werden (met bewaking aan de deur!) mocht de beschuldigde zich nog een laatste keer richten tot de jury. Hij drukte zijn spijt uit tegenover de familie van het slachtoffer en vroeg hen verrassend genoeg niet om vergiffenis. Hij beweerde dat hij het zichzelf ook niet kon vergeven en stotterde dat hij enkel de vrouw van zijn leven terug voor zich wilde winnen.

Vervolgens werden in de openbare zitting de twee vragen voorgelezen waarop wij zouden moeten antwoorden. De hoofdvraag luidde: “is de beklaagde schuldig aan opzettelijke doodslag?” De tweede vraag (enkel indien ja werd geantwoord op de hoofdvraag) was dan weer: “Werd de doodslag die omschreven is in de eerste vraag gepleegd met voorbedachten rade?”

De zitting werd geschorst en we moesten afscheid nemen van de twee plaatsvervangende juryleden die naar een apart zaaltje begeleid werden. Daar zouden ze de hele dag in isolement moeten doorbrengen voor het geval dat er iets zou gebeuren met een vast jurylid. En ook bij hen zou er een forse agent permanent postvatten voor de deur. Met z’n twaalven keerden we dus terug naar ons bekende zaaltje en iedereen vond het een jammere zaak dat ons groepje in extremis nog zo moest opgesplitst worden.

Even later ging de deur open en toonden Janssens en Jansens dat ze nog in goede lichamelijke conditie waren door in een mum van tijd al de overtuigingsstukken te verhuizen van de Assisenzaal naar ons kleine zaaltje. Dat zou ons toelaten om eventueel bepaalde verslagen in te kijken of indien nodig een opname van een telefoongesprek te beluisteren.

De voorzitter en zijn assesoren (twee vrouwelijke rechters) kwamen ons al snel vervoegen en zouden de hele dag samen met ons doorbrengen achter gesloten deuren. Het was voor ons wel even wennen, want zonder hun toga was hun natuurlijke autoriteit verdwenen en zagen ze er uit als mensen zoals u en ik. Op geen enkel moment van de dag zouden ze de baas spelen over ons, hoogstens stuurden ze het debat bij wanneer het dreigde stil te vallen

Na een eerste collectieve beraadslaging vond de geheime stemming plaats over de hoofdvraag. Dit gebeurde met kleine papiertjes waarop we ja of neen moesten antwoordden. Vervolgens overhandigden we het dicht geplooid aan de voorzitter. Hij telde dan de stemmen en onmiddellijk daarna werden de papiertjes in de versnipperaar vernietigd.

Aangezien er meer dan 7 van de 12 ja hadden geantwoord, moesten we antwoorden op de tweede vraag over de voorbedachtheid. Maar dat mocht pas gebeuren na een debat waarbij elk jurylid zijn of haar argumentatie naar voor bracht. Ik was er zeker van dat sommigen onder ons niet graag praten in het openbaar, maar iedereen deed dat op een schitterende manier. Verscheidene malen stond ik versteld van de verstandige opmerkingen van mijn collega juryleden die met inzichten kwamen waar ik nog niet aan gedacht had.

Nadat we alle twaalf onze visie op de feiten en de omstandigheden hadden gegeven, was het tijd voor de tweede geheime stemming. Uit deze stemming bleek dat de meerderheid neen had geantwoord. Omdat dit moest voorgelezen worden in openbare zitting, stelde de voorzitter ons een tekst voor die wij moesten valideren.

Terug in de zaal keek ik aandachtig naar de reacties van alle aanwezigen maar van euforie of woede was geen spoor te bekennen, noch bij de beschuldigde noch bij de nabestaanden. Ik dacht dat iedereen die het proces had gevolgd al wel tot dezelfde conclusie was gekomen.  Na de voorlezing van de tekst pleitte de Procureur kort en bondig en eiste hij onverbiddelijk dat de beschuldigde veroordeeld zou worden tot 27 jaren gevangenisstraf.

Die woorden moesten bij mij even bezinken en dat aantal jaren leek mij op dat moment een eeuwigheid voor de beschuldigde, een vijftiger. Nadat de verdediging uitdrukkelijk gepleit had dat wij als jury verzachtende omstandigheden zouden moeten inroepen, werden we voor een laatste maal in afzondering geplaatst voor het bepalen van de definitieve strafmaat.

Dit debat verliep ongeveer zoals het vorige behalve dat we nu die eventuele verzachtende omstandigheden moesten aanhalen die volgens ons de strafmaat naar beneden konden halen. Ieder van ons kwam terug aan de beurt en daarbij waren we verplicht om na onze argumentatie een aantal jaren gevangenisstraf voor te stellen. Dit viel mij eerlijk gezegd heel zwaar. Steeds moest ik denken aan een eenzame grijze man die zou wegkwijnen in een kleine cel en die daar na vele jaren als een bejaarde man zou uitkomen zonder enige kans op rehabilitatie.

Uiteindelijk kwamen we na een ernstig gevoerd debat tot een aantal jaren (24) waarmee de meerderheid zich akkoord kon verklaren, de drie rechters incluis. Een andere tekst werd ons door de voorzitter voorgesteld en ook deze tekst werd door ons gevalideerd. Deze was bedoeld om daarna in openbare zitting te worden voorgelezen, in het zogenaamde arrest.

Wanneer we terug op onze stoeltjes zaten in de zaal was de spanning te snijden. Omdat het beraad lange tijd had geduurd, en het ondertussen al avond was, was er niet zoveel volk meer aanwezig. Wanneer het arrest uitgesproken werd en de beschuldigde de uitspraak hoorde, barstte hij in tranen uit. Deze keer was ik er zeker van dat het geen krokodillentranen waren. Ook de nabestaanden reageerden zeer emotioneel op de uitspraak en iedereen omhelsde elkaar. Later zouden we via via te horen krijgen dat de familie van het slachtoffer zich met deze strafmaat kon verzoenen.

De zaal liep leeg en voor een allerlaatste keer klapten wij het tafeltje van onze genummerde stoel op. Met een laatste melancholische blik op de Assisenzaal stapten wij achter elkaar door de vertrouwde gang naar ons zaaltje. Daar werden we verenigd met onze twee bannelingen en was ons groepje terug compleet. Ik merkte duidelijk dat bij iedereen een zwaar gewicht van de schouders was gevallen en er werd al driftig gecommuniceerd met de buitenwereld via de ons terugbezorgde gsm’s.

Buiten was het al lang donker geworden wanneer we naar een café in de buurt stapten, een laatste maal met z’n allen. We kregen een zaaltje (alweer!) ter beschikking waar we aan één lange tafel gezellig samen met de advocaten en de voorzitter druk napraatten. Ik kon niet geloven dat dit proces er op zat en wilde eigenlijk geen afscheid nemen van de mensen waarmee ik een zeer intense week had doorgebracht.

Ik ben er zeker van dat ik mijn collega juryleden ooit nog zal terugzien en dat het contact direct terug zal verlopen alsof we nog steeds elke dag bij elkaar zitten. Ik zal me altijd herinneren hoe we daar fel discussieerden maar met respect voor ieders mening, bij een tas koffie of met een stuk fruit. Deze ervaring was uniek: ik heb niet alleen mijn plicht aan de samenleving vervuld maar tegelijk heb ik ook zoveel teruggekregen. Bovendien heb ik door al die ellende te aanhoren een belangrijke levensles geleerd: “Een zogenaamd ‘saai’ leven is ook leuk en vooral veel veiliger.”

EINDE